Een ode aan buurman Ben, die maar half bestond

(Gepubliceerd in het Parool d.d. 8-2-2020)

Hij zou er net als zijn ouders alleen horizontaal uitgaan, uit het huis aan de smalle gracht waar hij in 1954 was geboren. Je vertelde vroeger aan niemand dat je uit de Jordaan kwam. Het was een achterbuurt om je voor te schamen, je stond meteen met tien nul achter. Hij grinnikte: “Zou je nou niet zeggen hè, met al die flitsende yuppen.” Om de dag klopte hij bij de openslaande raampjes aan de voorkant keurig zijn deken uit boven mijn openstaande ramen. Zijn DNA is ongetwijfeld nog in mijn appartement te vinden.

Twee weken geleden wist ik nog niet dat Ben, al vele jaren mijn buurman van twee hoog, nauwelijks met iemand sprak. Eigenlijk alleen met bovenbuurman Frank en mij, veelal in het portiek voor onze voordeuren. Steevast te lang, maar dat kwam ook doordat hij nooit ergens heen ging en ik altijd overal.  

Soms ging ik niet naar buiten als ik hoorde dat hij kwam, want dan wist ik dat ik me zeker een half uur niet los kon maken. Als ik met hem sprak, liet ik hem leeglopen als een ballon die te strak op spanning had gestaan en me door alle hoeken van zijn wereld boksen.

Er zullen dagen zijn geweest dat hij moet zijn vergeten hoe zijn eigen stem klonk. Hij fietste rondjes door de stad om naar lezingen te gaan en soms naar supermarkten ver weg, zodat hij wat aanspraak had. Vanaf het voorjaar werd hij daardoor steeds bruiner. Als hij thuiskwam sprong hij van zijn fiets en klampte me aan met een snottebel onder zijn neus. 

Was ik ermee bekend dat er aliens waren in dit huis die gekke straling afgaven, bijvoorbeeld rond zijn bed? Het had waarschijnlijk met hem te maken, want dat soort dingen gebeurden zijn hele leven al, maar hij sloot niet uit dat ik er ook mee te maken had. Ze hadden hem geopereerd met wit licht en lasers. Ze stapten uit een ufo, daar. Hij wees naar de platte daken en de tegen elkaar aanleunende balkons aan de achterkant. 

“Ik weet dat ik niet oud word,” zei hij plotseling vorig jaar in het portiek. Ik vroeg hem of hij ziek was. “Ik weet het gewoon.” Hij boog zijn lange lichaam een beetje naar me toe en zei: “Jij weet niet wat het is als niemand je zal missen.” Ik zei dat ik het erg vond en dat het niet helemaal klopte, dat ik hem wél zou missen. Hij trok zijn schouders op.

Twee weken geleden hing er een vage krabbel op zijn voordeur. Misschien was het een doodsaankondiging van de stadsomroeper of van een alien, als een kruis dat op een boom wordt gespoten. Frank wist de boodschap te ontcijferen. Er stond dat hij al dagen erg ziek was. Of iemand hem naar de huisarts kon brengen.

Frank duwde hem direct in zijn auto, stinkend, bloedend, ziek als een hond. Kromgebogen van de pijn zat hij op de vloer van het OLVG West. Daar kreeg hij eten en was er bij voortduring aanspraak. Dat was ongekend en van harte welkom. Terwijl zijn gewassen onderbroeken bij ons over de verwarming hingen, ook een bepalend moment in een relatie, leek hij op te kalefateren. Naar huis hoefde hij niet meer. Dat kon ook niet, want hij had alvleesklierkanker die hem een week na die diagnose al zou vellen.

Er was geen familie, geen vriend, er was niemand. Zo kwam het dat zijn buren voor hem zorgden, overlegden met het ziekenhuis en met hem spraken over de komende diagnose en de dood. Langzaam ontrafelde zich het mysterie van een man die half bestond. Hij had geen telefoon en geen dossier bij de huisarts. Die kende hem weliswaar uit de buurt, maar had hem tot voor kort nog nooit gezien als patiënt.

Enkele mensen van de lezingen lieten mij via sociale media weten dat hij altijd aardig en geïnteresseerd was. De rest van de buren had geen behoefte hem te bezoeken en sommigen hadden een hekel aan hem, om voor mij onduidelijke redenen. 

Hij at voornamelijk macaroni en brood, vertelde hij. Alles wat je innam was potentieel slecht voor je. Van vervuild drinkwater bij het hockeyveld in IJburg had hij misschien wel die inwendige bloedingen opgelopen, of door de vrouw die door haar haren streek en toen door de vleeswaren bij de Albert Heijn. Moest ik niet naar toe, naar de betreffende supermarkt.

Hij bleek ondanks zijn leven in de bijstand geld te hebben gespaard dat hij heeft nagelaten aan de Dierenambulance. Hij bleek iemand te zijn die nadenkt over nalaten en die houdt van dieren. Zijn begrafenis had hij keurig geregeld, zodat we nadere acties om die te financieren konden staken. 

Zijn moeder, die volgens een buurvrouw altijd gillend en kijvend over de gracht liep, stierf vroeg, jaren later dan zijn vader. Ben vertelde dat zij zich had opgehangen. Hij was alleen, dat wist hij wellicht al toen hij heel klein was, las ik in zijn blik in het fotoalbum dat hij weggaf. Ik zag een foto van zijn moeder met ongecoiffeerde haren, twee katten tegen haar grote borsten geklemd, in een te korte jurk wijdbeens de onderbroek tonend aan de camera. 

Zoals hij leefde, stierf hij. Als een boer, kalm, aards, aanvaardend. Maar wat voor een boer de aarde is, was voor Ben de hemel. We gaan van sterrenstof naar sterrenstof. We zijn allemaal tijdreizigers, ruimtetrotters, astrale toeristen die zich verschuilen in Jordanese achterkamers. Het enige verzoek dat hij deed was hem te begraven, want anders kon hij niet meer opstaan. Logisch.

In zijn woning stonden een tafel, een stoel, een bed, een radio en in de keuken een pannetje met macaroni. Dat was het. De buren, iemand van de lezingen en twee mensen van de Dierenambulance hebben hem naar het graf gebracht. Hij leefde alleen, maar stierf gedragen.

Plaats een reactie