Op Instagram maakte iemand grapjes over hoe IDFA bestaat uit een collectie documentaires ‘gemaakt met subsidiegeld, waar uiteindelijk 37 boomers naar gaan kijken in een tochtige bioscoopzaal in Amsterdam-Oost.’ Hij pitchte zogenaamde ideeën over geitenhoeden in de mist, dat de stilte klinkt als afscheid, etcetera. De “linkse culturele elite” wordt vaak verweten dat ze geen humor heeft, terwijl radicaal rechtse mensen om te gieren zijn. Maar hoewel ik hier best om kon lachen, merkte ik dat de realiteit van het documentairefestival niet verder van dit beeld kon afstaan.
Zaterdag zag ik in Eye de documentaire: ‘My word against mine’, in de stampvolle grote zaal aldaar. Het was een fantastisch gemaakte, onder de huid kruipende documentaire over mensen die stemmen horen en de hulpverleners die hen behandelen. Golven van liefde voor zowel de diverse patiënten als voor de empathie, humor, maar ook expertise van de hulpverleners, welfden door de zaal. Er wordt veel geklaagd over de GGZ, maar zo is de werkelijkheid vooral en dat is iets om heel blij mee te zijn.
Het was onmogelijk niet te vallen voor de plat Utrechts pratende René, die na het slagen van de behandeling, waardoor de neerbuigende stemmen ‘in zijn hoof’ naar de achtergrond waren verdwenen en hij ze niet meer kon horen, opeens met tranen in de ogen vroeg: ‘Is dit blijvend, dat ik ze niet meer kan verstaan? Want ik mis ze eigenlijk wel. Ze zijn er al jaren, begrijp je?’
Bij de première waren de mensen aanwezig die zich moedig hadden laten filmen tijdens hun transformeren van de ene in de andere persoon die hun hersenen bevolkten. Maar ook hun lichamen veranderden van houding en blik als een andere stem zich naar voren drong tijdens het gesprek. Er was een inleiding door psychiater Jim van Os, betrokken bij de film en deze problematiek. Hij riep op tot begrip, tot het niet gek maken van deze aandoening (die voorkomt onder 10% van de gehele populatie) en tot het ontstijgen van de diagnostische GGZ-bijbel de DSM-V, die maar geen geschikt hokje kan vinden voor al deze levens. Het stemde me blij dat door het samen beleven van deze documentaire alle bezoekers met een nieuw begripsvermogen de wereld ingingen.
Een paar dagen later zag ik in Kriterion drie korte documentaires, dit keer wel degelijk in een tochtige zaal in Amsterdam-Oost. Ik heb mijn jas uiteindelijk aangetrokken en heerlijk onder het dons onderuitgezakt gekeken. Veel boomers waren er niet, maar er was wel sprake van een spirituele verhouding met buffels in mistige moeraslanden in Zuid-Irak, waar de laatste der sedentaire boeren crepeerden onder de industrialisatie in ‘Beneath which rivers flow’. Een drietal Irakese makers besteeg na afloop het podium en liet de tolk uitleggen dat de man die zo prachtig over zijn buffels gedrapeerd lag en ze grashalmen voerde terwijl hij ze koesterde, zijn dieren ziet als goden. Ze hadden willen laten zien aan de wereld dat ook deze mensen worden opgeslokt door kapitalisme en de daardoor aangedreven klimaatverandering. Dat die hen het leven onmogelijk maakt terwijl de boeren zelf waarschijnlijk nooit een halve vuilniszak aan afval hebben geproduceerd.
Maar mijn adem stokte door de afstudeerfilm voor de Nederlandse Filmacademie ‘Kiss kiss bang bang’ , van regisseur Ollie Launspach. Hij maakte de beelden en worstelde zich door zijn eindproject heen met zijn vriendin Sterre, die maar niet wilde antwoorden wat hij wilde horen. De afspraak werd: ‘Als aasgieren singelen we/ om elkaars verhalen heen/ jij maakt een film over mij/ en ik schrijf over jou’.
Sterre schreef rake teksten die me deden huilen. Want ook dit mag lijken op een thema dat tegenwoordig wordt geframed als woke en links en allerlei ander verderfelijks, maar was eigenlijk iets heel anders: De meest romantische film in tijden. Nog waargebeurd ook, waarmee één van de mooiste liefdesrelaties die ik ooit heb gezien. Een tedere, vechtende liefdesverklaring van mensen die er veel te jong uitzien om zo wijs te zijn.
Daarnaast, dat komt in de tweede plaats, geeft het een humoristische en emotionele inkijk in wat een transitie lichamelijk en geestelijk inhoudt. En dat er niet slechts één persoon in een relatie in transitie moet. Ollie zet Sterre in de hoek en vuurt vragen op haar af. Hij ziet zijn film mislukken, want Sterre wil hem maar niet haten. Ze wil maar niet weg bij hem. Dat kán hij niet begrijpen.
Als Ollie op het podium staat en antwoordt op de vraag hoe het voor hem is om de zo persoonlijke film te bekijken, zegt hij: ‘Ik kan er niets meer mee. Ik ben al vijf stappen verder.’ Ik denk aan Simone de Beauvoir, die op haar zestiende al stelde wat ze later vaak heeft beschreven, dat het Zelf voortdurend in verandering is. Ollie zou met Sterre hebben besproken dat ze nu een écht goede film gingen maken. Hij kon, net als in zijn eigen film, maar niet inzien hoe mooi het was. Hij had geen idee van het feit dat ik in mijn stoel gedrukt zat en wilde uitroepen: ‘Het is één van de mooiste dingen die ik in tijden zag!’ Bij dezen, Ollie.
Sterre vertelde in de film dat hij jaren daarvoor een relatie kreeg met een meisje en opeens bang was geworden dat hij transgender was. Zijn moeder had hem vastgehouden terwijl ze op de bank zaten en gerustgesteld: ‘Het komt goed. Je bént geen transgender.’ Ouders doen heel vaak hun best, maar ze kunnen niet doorgronden wat hun kinderen wél weten. Ze zouden bang zijn voor de toekomst waar hun kinderen zich zo soeverein doorheen bewegen.
Met grote ogen kijkt Sterre, in haar rechterhand een injectiespuit met lange naald tot aan de nok gevuld met testosteron, de camera en Ollie aan. Ze wil hem geen pijn doen, maar moet de naald diep in zijn bil en buik jenzen. Ze moet bijna huilen, het zweet is haar uitgebroken. Hij stelt haar gerust dat hij niet opziet tegen de pijn. Alleen tegen wat er gebeurt als het spul er niet goed in wil.
Als hij de zoveelste trap naar hun zolderappartement heeft bedwongen, strompelt arme Ollie na zijn grote operatie het huis binnen. Sterre ligt geknield over het trapgat om hem te kunnen ontvangen met troostende kusjes. Ze verpleegt zijn wonden en zijn beurse, stinkende lichaam met tederheid en zelfs enige lust. Het is en blijft tenslotte zijn lichaam. Ze herkent het plekje boven de afgezette borsten nog heel goed. ‘Het kan niet lelijk zijn, want jij bent het.’ Ze zet vraagtekens bij het begrip gender en schrijft: ‘Wat is een lichaam, Ollie?’
Ik weet het ook niet. Maar in lijn met deze film zou ik gokken: Het lichaam is een tempel die passender gemaakt kan worden en waar de zelfhaat die erin huist, alleen door liefde, kan worden omgezet in zachtheid.
Eén van de ergste dingen die momenteel gebeuren in de wereld, is de afbraak van kunst en cultuur. Door dictators en andere, minder opzichtig enge mensen en door AI. Subsidiëren maar, zou ik zeggen. Hou dit overeind, bescherm het mooiste, meest weerloze tegen de ondergang. Stort geld, stimuleer deze makers, kijk naar deze films en zegt het voort; hoe mooi het leven is, hoe mooi mensen ook kunnen zijn.