Hartje Mokum

M’n handschoenen grepen het stuur steviger vast. Ik moest vaart maken om op tijd te zijn. Om kwart voor acht werden de gasten binnengelaten bij De Nationale Opera vanaf de artiesteningang, om de lange wandeling binnendoor te maken, richting de zaal. Te laat komen was geen optie. 

De lange kronkel langs het winderige IJ wachtte mij. De loopneus, tegenliggers met mutsen op en lichtsnoeren aan de masten van schepen die langszij deinden in het water. In volle vaart flitste ze in mijn ooghoeken voorbij. Een vrouw zat op de stoep met haar rug tegen de muur van een huis. Twee olijke sportieve zolen wezen elk naar een andere hoek van de hemel. Een paar honderd meter verder dacht ik: Ik moet terug. Ik kan haar niet laten zitten. Ik draaide mijn fiets om en fietste over de stoep terug, in een dilemma inmiddels, want ik zou het concert van mijn zoon missen als ik haar hielp. Het was vast niet binnen een paar minuten geklaard.

In mijn zak brandde een tientje dat ik haar kon geven, maar misschien had ze een beginnend hartinfarct, of was er iets anders dat niet met een beetje geld was te sussen. Ik voelde me beschaamd dat ik dacht dat een tientje geven de kortste en wenselijkste interactie leek. Ik zette mijn fiets op de standaard. De koplamp scheen in haar gezicht, alsof de politie haar had betrapt. Toen ik naast haar knielde en vroeg of het ging, zag ik op vier willekeurige vingers een blauw tapeje. Ze wezen ook naar de hemel. Misschien waren het kleine satellieten en maakte ze er contact mee met een andere planeet. Die middag luisterde ik nog naar een verhaal van astronoom Govert Schilling over een heel ver weg gelegen zonnestelsel, met een uitermate lullige zon en zeven planeten daar heel dicht tegenaan geplakt, omdat dit zonnetje niet zoveel hitte kon afgeven. Dit zou een uitgelezen planetaire constellatie zijn voor buitenaards leven. Ik wilde haar antennes beter begrijpen, maar daar had ik geen tijd voor.

‘Nou’, zei ze met een Engels accent, ‘het zou beter gaan als ik naar huis kon.’ Ik vroeg waar ze woonde. ‘Alkmaar. Dit is toch Amsterdam?’ Er liepen ondertussen twee mannen langs, die ook stopten. Ze grabbelde wild in haar open tas en er rommelden spullen uit, waaronder een papieren bekertje met twee briefjes van twintig. Ik deed een poging om te zeggen dat Alkmaar best ver was in haar staat en dat ze beter eerst hulp kon krijgen. Het politiebureau was om de hoek. Misschien konden de mannen die bellen of ze halen. ‘Nee!’, riep ze en lachte me uit. ‘Daar ben ik allang niet meer welkom. Ik heb een alcoholprobleem, weet je’, zei ze. Ik zei dat dit me duidelijk was. ‘Ik wil er niet vanaf, ik vind het heerlijk!’ Ik riposteerde dat het leven zonder echt nog veel geweldiger zou zijn dan dit. Ze vroeg de mannen om een snorder voor haar te bellen en wapperde met een briefje van twintig. ‘Daar doen we hier niet aan’, zei de man. Ik moest weg, legde ik hem uit. Mijn zoon.. Hij knikte en zei dat hij het op zou lossen. ‘Dank je wel Ali’, zei de vrouw. ‘Zo heet ik niet’, zei de man, ‘niet alle Marokkanen heten zo.’ 

Even later liep ik met een natte rug van het zweet met een sliert van ouders, in stilte, langs de kleedkamers en kledingrekken van de dansers, zangers en musici. Een zinderende energie, gezang, gestretch, overleg, maar niet gespannen. De bel voor de voorstelling luidde al. We moesten doorlopen. De ons tegemoet fladderende danseressen met hun tutu’s lachten naar ons.

Voor aanvang werd ons uitgelegd dat er in de pauze drankjes werden geserveerd, ondanks het feit dat dit een generale repetitie was. Maar; die drankjes waren niet voor ons. Ze waren bedoeld voor de statushouders die waren uitgenodigd om in winterstemming te komen met de Notenkraker. Ik smolt voor mijn stad en voor de mensen die zich uit alle windstreken in de zaal hadden verzameld.

De dirigent liet horen dat hij er was door heel vloeiend en doortastend de muziek uit de instrumenten te bevrijden. Lange bogen die als meteorieten met staarten over ons heen schoten. Over het podium schaatsten mensen met antieke sledes. Deze tijd is wederom geen reclame voor Russen, dus het is goed om soms stil te staan bij de zachte genieën die het heeft voortgebracht, zoals Tchaikovsky, van wie ik niet zag aankomen dat hij me aan het huilen zou krijgen. Dat deed hij wél, terwijl de ballerina’s als sneeuwvlokken in een magisch woud zo mooi dansten als ik zelden heb gezien. Lichamen die dingen doen die niet mogelijk lijken, met gratie, licht als veertjes. De blazers, hoorns die je voor je ziet in besneeuwde bergdorpen, sleepten het publiek in een sprookje dat alles deed vergeten. En aan het einde van de eerste akte, terwijl mensen zich begonnen af te vragen of ze iets hadden gemist, klonk over die blazers heen engelengezang van het breekbaarste, helderste soort, uit kindermonden met eindeloze adem. Er was geen andere uitweg dan kippenvel.

In de pauze glipte ik weg met mijn zoon, die in de tweede akte niets te doen heeft. Op het plein voor het stadhuis zei ik dat ik het prachtig vond en dat ik zo blij voor hem was dat hij hieraan mocht meedoen, aan iets zo magisch en groots dat mensen even optilt. Hij wilde niet meteen naar huis, zei hij. We kwamen toch langs de Zeedijk? Even later liepen we langs roodverlichte ramen, waar enkele dames zwaaiden naar ons. Hij is een Amsterdammer, die zijn wel wat gewend. Hij probeerde cool te blijven binnen de mengeling van ontzetting en verwondering die hem overviel. Een deur zwaaide open. ‘OMG,  er komt iemand naar buiten’, zei hij, en zette het op een rennen. We moesten naar Mata Hari, waar hij het jaar daarvoor voor het eerst was en leerde wie Mata Hari was en werd bediend door een knappe man gekleed als zij. Hij gaf hem een ijsje met chocoladesaus omdat het kon. Maar eerst wilde hij in de ongure steeg ernaast kijken of er nog crispy piemels werden verkocht in het wafelwinkeltje. Dooraderde piemels van wafel met op hun eikels witte chocoladedruipers. Gewoon, omdat het bestaat. 

Toen we terugfietsten, hij met zijn inmiddels iets te lange lijf achterop bij mij, was de plek bij de muur waar de vrouw had gezeten, leeg. Misschien was ze toch opgebeamd. Ik zocht naar het witte bekertje op straat, maar dat lag er niet. Ik keek langs de muur omhoog. Er stond een poolster op getekend. 

Plaats een reactie