Hartje Mokum

M’n handschoenen grepen het stuur steviger vast. Ik moest vaart maken om op tijd te zijn. Om kwart voor acht werden de gasten binnengelaten bij De Nationale Opera vanaf de artiesteningang, om de lange wandeling binnendoor te maken, richting de zaal. Te laat komen was geen optie. 

De lange kronkel langs het winderige IJ wachtte mij. De loopneus, tegenliggers met mutsen op en lichtsnoeren aan de masten van schepen die langszij deinden in het water. In volle vaart flitste ze in mijn ooghoeken voorbij. Een vrouw zat op de stoep met haar rug tegen de muur van een huis. Twee olijke sportieve zolen wezen elk naar een andere hoek van de hemel. Een paar honderd meter verder dacht ik: Ik moet terug. Ik kan haar niet laten zitten. Ik draaide mijn fiets om en fietste over de stoep terug, in een dilemma inmiddels, want ik zou het concert van mijn zoon missen als ik haar hielp. Het was vast niet binnen een paar minuten geklaard.

In mijn zak brandde een tientje dat ik haar kon geven, maar misschien had ze een beginnend hartinfarct, of was er iets anders dat niet met een beetje geld was te sussen. Ik voelde me beschaamd dat ik dacht dat een tientje geven de kortste en wenselijkste interactie leek. Ik zette mijn fiets op de standaard. De koplamp scheen in haar gezicht, alsof de politie haar had betrapt. Toen ik naast haar knielde en vroeg of het ging, zag ik op vier willekeurige vingers een blauw tapeje. Ze wezen ook naar de hemel. Misschien waren het kleine satellieten en maakte ze er contact mee met een andere planeet. Die middag luisterde ik nog naar een verhaal van astronoom Govert Schilling over een heel ver weg gelegen zonnestelsel, met een uitermate lullige zon en zeven planeten daar heel dicht tegenaan geplakt, omdat dit zonnetje niet zoveel hitte kon afgeven. Dit zou een uitgelezen planetaire constellatie zijn voor buitenaards leven. Ik wilde haar antennes beter begrijpen, maar daar had ik geen tijd voor.

‘Nou’, zei ze met een Engels accent, ‘het zou beter gaan als ik naar huis kon.’ Ik vroeg waar ze woonde. ‘Alkmaar. Dit is toch Amsterdam?’ Er liepen ondertussen twee mannen langs, die ook stopten. Ze grabbelde wild in haar open tas en er rommelden spullen uit, waaronder een papieren bekertje met twee briefjes van twintig. Ik deed een poging om te zeggen dat Alkmaar best ver was in haar staat en dat ze beter eerst hulp kon krijgen. Het politiebureau was om de hoek. Misschien konden de mannen die bellen of ze halen. ‘Nee!’, riep ze en lachte me uit. ‘Daar ben ik allang niet meer welkom. Ik heb een alcoholprobleem, weet je’, zei ze. Ik zei dat dit me duidelijk was. ‘Ik wil er niet vanaf, ik vind het heerlijk!’ Ik riposteerde dat het leven zonder echt nog veel geweldiger zou zijn dan dit. Ze vroeg de mannen om een snorder voor haar te bellen en wapperde met een briefje van twintig. ‘Daar doen we hier niet aan’, zei de man. Ik moest weg, legde ik hem uit. Mijn zoon.. Hij knikte en zei dat hij het op zou lossen. ‘Dank je wel Ali’, zei de vrouw. ‘Zo heet ik niet’, zei de man, ‘niet alle Marokkanen heten zo.’ 

Even later liep ik met een natte rug van het zweet met een sliert van ouders, in stilte, langs de kleedkamers en kledingrekken van de dansers, zangers en musici. Een zinderende energie, gezang, gestretch, overleg, maar niet gespannen. De bel voor de voorstelling luidde al. We moesten doorlopen. De ons tegemoet fladderende danseressen met hun tutu’s lachten naar ons.

Voor aanvang werd ons uitgelegd dat er in de pauze drankjes werden geserveerd, ondanks het feit dat dit een generale repetitie was. Maar; die drankjes waren niet voor ons. Ze waren bedoeld voor de statushouders die waren uitgenodigd om in winterstemming te komen met de Notenkraker. Ik smolt voor mijn stad en voor de mensen die zich uit alle windstreken in de zaal hadden verzameld.

De dirigent liet horen dat hij er was door heel vloeiend en doortastend de muziek uit de instrumenten te bevrijden. Lange bogen die als meteorieten met staarten over ons heen schoten. Over het podium schaatsten mensen met antieke sledes. Deze tijd is wederom geen reclame voor Russen, dus het is goed om soms stil te staan bij de zachte genieën die het heeft voortgebracht, zoals Tchaikovsky, van wie ik niet zag aankomen dat hij me aan het huilen zou krijgen. Dat deed hij wél, terwijl de ballerina’s als sneeuwvlokken in een magisch woud zo mooi dansten als ik zelden heb gezien. Lichamen die dingen doen die niet mogelijk lijken, met gratie, licht als veertjes. De blazers, hoorns die je voor je ziet in besneeuwde bergdorpen, sleepten het publiek in een sprookje dat alles deed vergeten. En aan het einde van de eerste akte, terwijl mensen zich begonnen af te vragen of ze iets hadden gemist, klonk over die blazers heen engelengezang van het breekbaarste, helderste soort, uit kindermonden met eindeloze adem. Er was geen andere uitweg dan kippenvel.

In de pauze glipte ik weg met mijn zoon, die in de tweede akte niets te doen heeft. Op het plein voor het stadhuis zei ik dat ik het prachtig vond en dat ik zo blij voor hem was dat hij hieraan mocht meedoen, aan iets zo magisch en groots dat mensen even optilt. Hij wilde niet meteen naar huis, zei hij. We kwamen toch langs de Zeedijk? Even later liepen we langs roodverlichte ramen, waar enkele dames zwaaiden naar ons. Hij is een Amsterdammer, die zijn wel wat gewend. Hij probeerde cool te blijven binnen de mengeling van ontzetting en verwondering die hem overviel. Een deur zwaaide open. ‘OMG,  er komt iemand naar buiten’, zei hij, en zette het op een rennen. We moesten naar Mata Hari, waar hij het jaar daarvoor voor het eerst was en leerde wie Mata Hari was en werd bediend door een knappe man gekleed als zij. Hij gaf hem een ijsje met chocoladesaus omdat het kon. Maar eerst wilde hij in de ongure steeg ernaast kijken of er nog crispy piemels werden verkocht in het wafelwinkeltje. Dooraderde piemels van wafel met op hun eikels witte chocoladedruipers. Gewoon, omdat het bestaat. 

Toen we terugfietsten, hij met zijn inmiddels iets te lange lijf achterop bij mij, was de plek bij de muur waar de vrouw had gezeten, leeg. Misschien was ze toch opgebeamd. Ik zocht naar het witte bekertje op straat, maar dat lag er niet. Ik keek langs de muur omhoog. Er stond een poolster op getekend. 

Wat is een lichaam?

Op Instagram maakte iemand grapjes over hoe IDFA bestaat uit een collectie documentaires ‘gemaakt met subsidiegeld, waar uiteindelijk 37 boomers naar gaan kijken in een tochtige bioscoopzaal in Amsterdam-Oost.’ Hij pitchte zogenaamde ideeën over geitenhoeden in de mist, dat de stilte klinkt als afscheid, etcetera. De “linkse culturele elite” wordt vaak verweten dat ze geen humor heeft, terwijl radicaal rechtse mensen om te gieren zijn. Maar hoewel ik hier best om kon lachen, merkte ik dat de realiteit van het documentairefestival niet verder van dit beeld kon afstaan.

Zaterdag zag ik in Eye de documentaire: ‘My word against mine’, in de stampvolle grote zaal aldaar. Het was een fantastisch gemaakte, onder de huid kruipende documentaire over mensen die stemmen horen en de hulpverleners die hen behandelen. Golven van liefde voor zowel de diverse patiënten als voor de empathie, humor, maar ook expertise van de hulpverleners, welfden door de zaal. Er wordt veel geklaagd over de GGZ, maar zo is de werkelijkheid vooral en dat is iets om heel blij mee te zijn.

Het was onmogelijk niet te vallen voor de plat Utrechts pratende René, die na het slagen van de behandeling, waardoor de neerbuigende stemmen ‘in zijn hoof’ naar de achtergrond waren verdwenen en hij ze niet meer kon horen, opeens met tranen in de ogen vroeg: ‘Is dit blijvend, dat ik ze niet meer kan verstaan? Want ik mis ze eigenlijk wel. Ze zijn er al jaren, begrijp je?’

Bij de première waren de mensen aanwezig die zich moedig hadden laten filmen tijdens hun transformeren van de ene in de andere persoon die hun hersenen bevolkten. Maar ook hun lichamen veranderden van houding en blik als een andere stem zich naar voren drong tijdens het gesprek. Er was een inleiding door psychiater Jim van Os, betrokken bij de film en deze problematiek. Hij riep op tot begrip, tot het niet gek maken van deze aandoening (die voorkomt onder 10% van de gehele populatie) en tot het ontstijgen van de diagnostische GGZ-bijbel de DSM-V, die maar geen geschikt hokje kan vinden voor al deze levens. Het stemde me blij dat door het samen beleven van deze documentaire alle bezoekers met een nieuw begripsvermogen de wereld ingingen.

Een paar dagen later zag ik in Kriterion drie korte documentaires, dit keer wel degelijk in een tochtige zaal in Amsterdam-Oost. Ik heb mijn jas uiteindelijk aangetrokken en heerlijk onder het dons onderuitgezakt gekeken. Veel boomers waren er niet, maar er was wel sprake van een spirituele verhouding met buffels in mistige moeraslanden in Zuid-Irak, waar de laatste der sedentaire boeren crepeerden onder de industrialisatie in ‘Beneath which rivers flow’. Een drietal Irakese makers besteeg na afloop het podium en liet de tolk uitleggen dat de man die zo prachtig over zijn buffels gedrapeerd lag en ze grashalmen voerde terwijl hij ze koesterde, zijn dieren ziet als goden. Ze hadden willen laten zien aan de wereld dat ook deze mensen worden opgeslokt door kapitalisme en de daardoor aangedreven klimaatverandering. Dat die hen het leven onmogelijk maakt terwijl de boeren zelf waarschijnlijk nooit een halve vuilniszak aan afval hebben geproduceerd.

Maar mijn adem stokte door de afstudeerfilm voor de Nederlandse Filmacademie ‘Kiss kiss bang bang’ , van regisseur Ollie Launspach. Hij maakte de beelden en worstelde zich door zijn eindproject heen met zijn vriendin Sterre, die maar niet wilde antwoorden wat hij wilde horen. De afspraak werd: ‘Als aasgieren singelen we/ om elkaars verhalen heen/ jij maakt een film over mij/ en ik schrijf over jou’.

Sterre schreef rake teksten die me deden huilen. Want ook dit mag lijken op een thema dat tegenwoordig wordt geframed als woke en links en allerlei ander verderfelijks, maar was eigenlijk iets heel anders: De meest romantische film in tijden. Nog waargebeurd ook, waarmee één van de mooiste liefdesrelaties die ik ooit heb gezien. Een tedere, vechtende liefdesverklaring van mensen die er veel te jong uitzien om zo wijs te zijn.

Daarnaast, dat komt in de tweede plaats, geeft het een humoristische en emotionele inkijk in wat een transitie lichamelijk en geestelijk inhoudt. En dat er niet slechts één persoon in een relatie in transitie moet. Ollie zet Sterre in de hoek en vuurt vragen op haar af. Hij ziet zijn film mislukken, want Sterre wil hem maar niet haten. Ze wil maar niet weg bij hem. Dat kán hij niet begrijpen.

Als Ollie op het podium staat en antwoordt op de vraag hoe het voor hem is om de zo persoonlijke film te bekijken, zegt hij: ‘Ik kan er niets meer mee. Ik ben al vijf stappen verder.’ Ik denk aan Simone de Beauvoir, die op haar zestiende al stelde wat ze later vaak heeft beschreven, dat het Zelf voortdurend in verandering is. Ollie zou met Sterre hebben besproken dat ze nu een écht goede film gingen maken. Hij kon, net als in zijn eigen film, maar niet inzien hoe mooi het was. Hij had geen idee van het feit dat ik in mijn stoel gedrukt zat en wilde uitroepen: ‘Het is één van de mooiste dingen die ik in tijden zag!’ Bij dezen, Ollie.

Sterre vertelde in de film dat hij jaren daarvoor een relatie kreeg met een meisje en opeens bang was geworden dat hij transgender was. Zijn moeder had hem vastgehouden terwijl ze op de bank zaten en gerustgesteld: ‘Het komt goed. Je bént geen transgender.’ Ouders doen heel vaak hun best, maar ze kunnen niet doorgronden wat hun kinderen wél weten. Ze zouden bang zijn voor de toekomst waar hun kinderen zich zo soeverein doorheen bewegen.

Met grote ogen kijkt Sterre, in haar rechterhand een injectiespuit met lange naald tot aan de nok gevuld met testosteron, de camera en Ollie aan. Ze wil hem geen pijn doen, maar moet de naald diep in zijn bil en buik jenzen. Ze moet bijna huilen, het zweet is haar uitgebroken. Hij stelt haar gerust dat hij niet opziet tegen de pijn. Alleen tegen wat er gebeurt als het spul er niet goed in wil.

Als hij de zoveelste trap naar hun zolderappartement heeft bedwongen, strompelt arme Ollie na zijn grote operatie het huis binnen. Sterre ligt geknield over het trapgat om hem te kunnen ontvangen met troostende kusjes. Ze verpleegt zijn wonden en zijn beurse, stinkende lichaam met tederheid en zelfs enige lust. Het is en blijft tenslotte zijn lichaam. Ze herkent het plekje boven de afgezette borsten nog heel goed. ‘Het kan niet lelijk zijn, want jij bent het.’ Ze zet vraagtekens bij het begrip gender en schrijft: ‘Wat is een lichaam, Ollie?’

Ik weet het ook niet. Maar in lijn met deze film zou ik gokken: Het lichaam is een tempel die passender gemaakt kan worden en waar de zelfhaat die erin huist, alleen door liefde, kan worden omgezet in zachtheid.

Eén van de ergste dingen die momenteel gebeuren in de wereld, is de afbraak van kunst en cultuur. Door dictators en andere, minder opzichtig enge mensen en door AI. Subsidiëren maar, zou ik zeggen. Hou dit overeind, bescherm het mooiste, meest weerloze tegen de ondergang. Stort geld, stimuleer deze makers, kijk naar deze films en zegt het voort; hoe mooi het leven is, hoe mooi mensen ook kunnen zijn.

 

 

‘Delen en niet slaan’

Een zin kan harder aankomen dan een vuistslag. Het is van groot belang om woorden goed te kiezen, zowel in schrijven als in spreken. Om je bewust te zijn van de impact van een woord, dat soms voor het leven in een hart gekerfd wordt. Te beseffen dat die impact niet minder groot en soms zelfs groter is dan welke fysieke handeling ook. Bovenal is het veel krachtiger om op een situatie te reageren met stilte of met goedgekozen woorden dan om geweld te gebruiken. De hele wereld lijkt inmiddels exemplarisch voor deze tragiek, ik weet niet meer hoe ik het mijn kinderen moet uitleggen.

Ik weet het allemaal en toch denk ik maar aan één ding als ik lees over het belagen van de herrezen Dolle Mina’s tijdens hun demonstraties: Ik wil de mannen die dat deden helemaal in elkaar beuken. Volgens krantenberichten werden in tenminste elf gemeenten door het hele land (tot zover de hoop van een los incident) vrouwen uitgescholden voor ‘hoer’, ‘slet’, werden er vrouwen op hun billen geslagen, werden ze bekogeld met blikjes en op allerlei andere manieren (seksueel) geïntimideerd.

Dat mensen die tegen onveiligheid en seksueel geweld demonstreren precies dát oplopen waartegen ze strijden, is totaal ironisch en tekenend voor het verval van deze tijd. Er zijn legio ernstige problemen terug van weggeweest, zoals fascisme, oorlogsgeweld en een opleving van seksuele onderdrukking en vrouwenhaat. Bevochten vrijheden smelten als ijskappen; sneller dan je denkt. Gelijke rechten, gelijke betaling, recht op zelfbeschikking en abortus, geboortebeperking- alles wordt met het smeltwater weggegooid. Het femicidecijfer rijst in Nederland de pan uit. LHBTIQ+-ers worden met regelmaat uitgescholden en in elkaar geslagen, terwijl hedonistische hetero’s hun niet-bestaande emancipatie vieren met bier en een regenboog van drugs- zónder te weten wat ze eigenlijk op die boten doen, behalve het zoveelste festivalletje consumeren. 

‘Feestje van het jaar’, hoorde ik een jonge man die werkt op de Zuidas zeggen. Fuck you, dacht ik, eloquent als altijd. Misschien deed jij in het corps aan bangalijstjes en had jij seks met allerlei vrouwen waar niemand iets van zei, terwijl die vrouwen voor de rest van hun studententijd een hoer genoemd werden. Mijn vermoeden was niet ongegrond, want ik hoorde hem dingen zeggen die eng dicht bij die werkelijkheid staan. Zonder enige schaamte, schijnbaar zonder enig benul. Een man met zoveel privileges dat hij niet beter weet dan onaantastbaar te zijn voor sociale correcties en de wet. 

Het maakt ze niets uit. Dat maakt me zó razend dat ik ze de oren zou willen wassen, hun mond spoelen met heel veel zeep en hun onrijpe geesten afranselen. Ze laten voelen wat ze anderen aandoen, hoe het is om bang te zijn en je beschaamd te voelen. Ik wil ze, geloof ik, hun eigen agressie en gebrek aan enig respect tot op het bot laten voelen.

Ik, die geen vlieg doodslaat. Die eens na heel veel gedoe een slak redde in de nacht om vervolgens opgetogen door te lopen en, tot mijn ontsteltenis, gekraak hoorde onder mijn zool van de volgende slak. Die bang is voor agressieve mannen, laat staan groepen ervan. Op straat, bijvoorbeeld toen ik als studente naar huis rende na het uitgaan. In het OV met zijn rukkende mannen, opmerkingen, manspreading en frotteren. Tijdens een date, als het steeds verder uit de hand loopt en dat je die vrouw wordt die je niet wilt zijn: Stil, pleasend, zichzelf beschermend door geen ophef te maken. Omdat je niet weet wat hij gaat doen als je boos wordt, of omdat je je om andere redenen niet kunt verweren. Overal waar het kan en waar het, dus, gebeurt. Zoals ook bij mij, metoo en wieniettoo, de aanranding in het park, of die toen ik zeventien was door een volwassen man met wie ik in een professionele machtsrelatie zat. 

De man in de bosjes bestaat ook en die angst is geactiveerd door de ziekmakende, afschuwelijke moord op Lisa. Dergelijke zaken zijn zeldzaam en betreffen meestal een andere categorie mannen dan die van het intimiderende en misogyne soort, wat overigens ook niet wil zeggen dat het één helemaal losstaat van het ander. Door de moord op Lisa lijkt vooral de onveiligheid getriggerd die alle vrouwen kennen: Intimidatie waarvan je nooit weet waar het ophoudt. Meisjes en vrouwen kennen dat gevoel op de fiets, of lopend op straat of in een tunnel; dat je nooit kunt inschatten wat er gaat gebeuren en dat je hartkloppingen hebt die horen bij doodsangst.

Activisme is niet voor bange mensen. Zonder activisme verandert er niets. Het kan niet normaal kan blijven worden gevonden dat meisjes en vrouwen (en LHBTIQ+-ers) zoveel gevaar lopen. Punt. Vrijheid, gelijkheid en veiligheid moeten actief worden bevochten en woede die steunt op rechtvaardigheid is constructief van aard. Dus loop ik tijdens de volgende tochten mee en zal ik mijn razernij keurig kanaliseren. Ik zal luisteren naar Anja Meulenbelt, wier definitie van feminisme is: ‘Eerlijk delen en niet slaan.

Dan terug naar de slagkracht van het woord. Er is een nieuwe taal nodig, een nieuwe manier van denken en normeren, van omgang. Concreet kan daar van alles aan worden gedaan en dat is hoog tijd. Er zou voor geen enkele persoon iets onaanvaardbaars moeten zitten in de woorden ‘wij eisen de nacht op.’ Natuurlijk, zou iedere weldenkende man moeten zeggen, natuurlijk doen jullie dat. Wij doen er alles aan om dat te bevorderen. 

In de media moet helder worden geschetst in welke context geweld tegen vrouwen plaatsvindt en dat individuele gevallen niet op zichzelf staan. Er is een nationaal, geëscaleerd probleem. Beïnvloeding van jongeren in sociale media en in de manosphere kan worden tegengegaan. Ouders kunnen zowel hun zoons als dochters helpen door met ze te praten over deze thema’s. Het helpt niet als er op televisie ouderwets gezellig wordt gelachen als men seksistische opmerkingen maakt of opschept over geweld tegen vrouwen. Ontsla die mensen nou eens, sponsor dat soort drek niet en presenteer het als vrouw niet als je geen onderdeel van het probleem wilt zijn. Kijk er niet naar. Lach zeker niet mee. Zeg er iets van. 

Vrouwen mogen vrouwen zijn zoals zij willen, LHBTIQ+-ers eveneens en mannen ook. De grap is dat niemand iets hoeft te verliezen. Misschien alleen de onaantastbaren, die zich op dezelfde lijn zullen moeten stellen als hun medemensen. Delen is even wennen. 

Over de volharding van Yesilgōz en de angsten van Lisa Loeb

Dit is de uitzending van zondag 20 juli 2025 van “Hoe word je zo.. als” van KRO/NCRV op NPO Radio 1.

Presentatie: Anne van der Veen

Panel: Frank Meester, filosoof / Tobias den Hartog, parlementair verslaggever AD / Merel de Vries, psychotherapeut, schrijver

Het praten over- en behandelen van angst blijkt mijn hobby te zijn. Bijvoorbeeld omdat angst ook heel nuttig kan zijn en dicht zit op de existentie en het vormgeven daarvan. Dat in deel twee van de uitzending.

We begonnen met de eigenschap volharding. In 2017 roemde toenmalig burgemeester van Amsterdam Eberhard van der laan Dilan Yesilgöz bij haar vertrek naar de landelijke politiek om haar vasthoudendheid. Hoe kun je die eigenschap bij haar inmiddels bezien? En waarom is deze eigenschap cruciaal in Finland, waar het ‘sisu’ heet?

Hier kun je de uitzending terugluisteren.

https://www.nporadio1.nl/uitzendingen/npo-radio-1-special/01973511-e4fc-70f5-bf18-86408888b92f/2025-07-20-npo-radio-1-extra

En hier een videofragment over onze half-Finse inbelster:

https://www.nporadio1.nl/nieuws/achtergrond/f3adddc9-29ef-450f-9e33-f7120ae2deb6/lekker-sisu

Juice

  • [Noot bij dit artikel: Ik zond onderstaand opinie-artikel, in reactie op het profiel over de VPRO in NRC d.d. 19-02-2025, dit weekend naar NRC. Het is met belangstelling gelezen, maar de redactie koos voor een ander onderwerp, luidde de reactie vandaag.]

Eén van de leukste afweermechanismen waarvan mensen zich bedienen is de ‘spontane ontkenning’. Zo proberen ze een veronderstelde toekomstige verdenking onklaar te maken. ‘Je moet niet denken dat ik van porno hou, ik heb niet eens een laptop!’

Als lezer ben ik altijd op mijn hoede als een artikel wordt opgezet met het vermelden van een grote hoeveelheid bronnen en tijdsinspanning, gevolgd door een zin met een suggestieve conclusie, die daardoor feitelijk onderbouwd lijkt. Met een dergelijke spontane ontkenning (‘nee hoor, deze conclusie hebben wij heus niet zelf bedacht’), leiden Logtenberg en Rosenberg hun profielschets over de VPRO in. Aan dit stuk hebben ze enkele maanden gewerkt.

NRC lijkt een patent te willen hebben op het aan de kaak stellen van diverse misstanden en op onderzoeksjournalistiek zoals je die tegenwoordig minder vaak in kranten aantreft. Dat pleit zeer voor ze en het drukt de passie voor het vak uit op een moment dat de journalistiek onder druk staat. Laten ze daarin nu van alles gemeen hebben met de omroepmedewerkers waarover ze schrijven. Het probleem met elk soort onderzoek waarvoor geld en verwachtingen worden vrijgemaakt, is dat het wel iets moet opleveren. Bij een krant krijgt dat vaak de vorm van clickbait, nu abonnees grotendeels plaats hebben gemaakt voor clicks.  

Uit experimenteel wetenschappelijk onderzoek komt vaak helemaal niets naar voren en omdat dit lastig financieel te verdedigen valt, raken wetenschappers soms in de verleiding om hun resultaten om te buigen. Maar ook niets vinden is wetenschap en leidt tot meer kennis. In dit geval mag er van deze journalisten worden verwacht dat zij de ingewonnen informatie wegen en dat zij iets ontwaren van het grotere systeem en het tijdsgewricht waarin deze publieke omroep zich bevindt. Dat zij uitzoomen uit de deining van een paar golven en de hele kustlijn tijdens een stormvloed overzien.

Lekkerder bekt de, dan ook tweemaal gebruikte, zin: “In een tijd dat omroepen zich opmaken voor de grootste bezuinigingen ooit, is de VPRO vooral met zichzelf bezig.” Alsof andere publieke omroepen behendig voortkabbelen en men er bij de VPRO toch maar een navelstaarderig zootje van maakt. 

Dat geeft te denken. Er mag kritiek zijn op de VPRO. Dat vonden ze bij die omroep kennelijk zelf ook, want ze hebben de journalisten uitgebreid gesproken en door talloze mensen uit alle gelederen laten informeren. Het is duidelijk dat er fouten zijn gemaakt, dat men zoekende is, ook na het verlies van twee iconische pilaren in het bestuur én dat de VPRO in een faseverandering is geraakt, maar om ze de crisis in de publieke omroep en de politiek te verwijten, gaat wel heel ver.

Denken ze bij NRC dat er geen sprake van een crisis is bij KRO-NCRV of bij BNN-VARA, alleen omdat die meer leden hebben, of omdat ze die niet hebben gesproken? Leg de oorzaak waar deze hoort, namelijk bij de NPO en zijn inhoudelijke machtsmisbruik. En nog meer uitgezoomd bij het politieke getij dat alles wat riekt naar kunst, cultuur of zogenaamd links probeert te kraken.

Dit stuk kan zijn sympathie voor de kleine, kwalitatief hoogwaardige en tegendraadse omroep niet onderdrukken. In die erkenning schuilt wellicht de sleutel: Misschien ligt het niet aan de inzet van het bestuur, de medewerkers en de programma’s die zij maken voor radio, televisie en online en is het daarom extra belangrijk om genuanceerd te zijn met conclusies, nu dit soort omroepen worden bedreigd met de ondergang, eufemistisch bekend als ‘sanering’.

Het is zinnig ervanuit te gaan dat niemand van de hoofdredactie een uniek programma als Tegenlicht ter ziele wil laten gaan en het is ook begrijpelijk dat dit grote woede wekt van de makers die hun hoofdredacteur als boodschapper aanvallen.

Na publicatie in de krant op 19 februari 2025 wordt het artikel op Instagram geplaatst met vier teasende zinnen: “Janine Abbring werd ‘gedumpt’ “, “Arjen Lubach vertrok”, “Medewerkers wantrouwen de hoofdredactie” en vetgedrukt: “De VPRO verkeert in een crisis.” Alsof je de Story openslaat bij de kapper. Beschadigend, op basis van wat precies en vooral; waarom?

Ooit wandelde ik in een bos naast een kasteel, waar een man in een snackkar me een dampende kop koffie verkocht. Op de achtergrond luisterde hij het VPRO-radioprogramma OVT, zo’n typische parel voor de publieke radio, over de geschiedenis en hoe je die terugvindt in het nu. Hij wachtte even met afrekenen, want hij wilde eerst horen hoe de spreker zijn zin afmaakte. Luisteraars van dit soort programma’s luisteren écht, misschien zou dat dubbel moeten tellen in aantal en waardering.

Kritische, onderscheidende programma’s maken kost geld. Ze oogsten vast een lager aantal kijkers dan BN’ers die in doldwaze fantasiepakken optreden om te worden ontmaskerd tot gegil van steeds dezelfde commerciële presentatoren (gemiddeld gesproken lacht Gerard Joling heel hard om Gerard Joling.) Dat zou er echter niet toe moeten doen bij de publieke omroep. Zomergasten mag deze zomer slechter bekeken zijn, maar dat kwam ook doordat Adriaan van Dis onverhoopt uitviel. Bovendien zou je, juist bij de publieke omroep, kunnen en zelfs moeten betogen dat dit soort programma’s waarin urenlang de tijd wordt genomen voor verdieping en beschouwing, moeten blijven bestaan. Daar is in Nederland in tegenstelling tot in andere Europese landen al een groot gebrek aan.

Wie overigens denkt dat geld verkwist wordt bij publieke omroepen of bij de VPRO, doet er goed aan erbij stil te staan dat medewerkers zeker niet goed betaald worden en al helemaal niet voor het grote aantal uren dat zij werken. Ze doen het uit liefde voor het vak en de inhoud.

Democratie is niet: De meerderheid bepaalt. Democratie is ook de minderheid vertegenwoordigen en een stem geven. Dat is als nooit tevoren aan de orde, nu kranten en omroepen moeten bepalen waar ze voor staan en de ruimte moeten krijgen om dit te brengen. Onafhankelijkheid moet worden gewaarborgd en beschermd, desnoods in de vorm van verzet. Wie te gemakkelijk meegaat in het afgeven op een publieke omroep gedraagt zich als slaaf van het populisme. Dat is een krant als NRC onwaardig. Ik vertrouw er dan ook op dat men wil overwegen dit stuk te plaatsen omdat kritiek een hoog goed is; de slijpsteen voor de geest. En dat ik er om het geplaatst te krijgen geen juicy titel aan hoef te geven, omdat lezers deze krant net zo inhoudelijk lezen als de man van de snackkar luistert naar de radio.

Spraakmakers

Op maandag 20 januari 2025, de dag van de inauguratie van Trump, Blue Monday en dus de Dag van de Ondergang, was ik te gast bij Spraakmakers (KRO-NCRV) op Radio NPO 1.

Onderwerp van gesprek was ‘Het voorlopige leven’, of dat mensen het idee hebben dat hun echte leven later begint, dat dit het in elk geval niet kan zijn.

Dat aan de hand van Babygirl and All Fours, waarin dit fenomeen een rol speelt. Ik koppel er onder andere de theorie van Carl Jung aan.

Presentatie: Roos Abelman. Het fragment is hier te beluisteren.

https://www.nporadio1.nl/fragmenten/spraakmakers/9e0339c4-de75-4f03-9b5a-de7d8459394c/2025-01-20-morgen-begint-mijn-leven-echt

Copa 71

Rond Internationale Vrouwendag wordt in veel landen (in Nederland bij 2Doc op 7 maart) Copa 71 uitgezonden, een door de zusjes Serena en Venus Williams gecoproduceerde documentaire over het eerste, zeer succesvolle wereldkampioenschap vrouwenvoetbal in 1971 in Mexico. Dit WK is naderhand op alle mogelijke manieren uit de geschiedenis gewist. Tot op de dag van vandaag heeft de FIFA het niet erkend en de beelden zijn vijftig jaar verborgen gehouden.

De beste weerspiegeling van dit duizelingwekkende gegeven wordt zichtbaar in de openingsbeelden met Brandi Chastain, tegenwoordig voetbalcommentator voor de Amerikaanse televisie. Zij won twee keer de wereldbeker met de Verenigde Staten, waaronder het (volgens de FIFA) eerste WK-vrouwenvoetbal ooit, gehouden in China in 1991. Ze krijgt beelden te zien van een gigantisch stadion, vraagt zich hardop af wat ze ziet en of dit een wedstrijd voor mannen is, het is tenslotte allemaal zo groots en daarna schrikt ze: Het zijn de vrouwenelftallen van Argentinië en Mexico die ze het veld ziet oplopen. Ze passen, kappen, draaien en scoren, waarna de Mexicaanse commentator uitzinnig: “Góooooooooool!’ roept. Als ze hoort in welk jaar dit heeft plaatsgevonden, zegt ze dat ze niet kan begrijpen waarom ze dit niet wist. Dat het haar weliswaar blij maakt, maar tegelijkertijd nogal woedend. De rest van de scène zoekt ze naar woorden die ze maar moeilijk vindt, omdat ze daar te razend voor is.

The Guardian spreekt met Gail Emms, dochter van Janice Emms, die als 19-jarige Engelse voor 90.000 mensen had gespeeld in Mexico Stad. Gail zou later wereldkampioen badminton worden. Ze vertelde over de voetbalcarrière van haar moeder en het WK, maar niemand wilde haar geloven. Haar moeder en dier teamgenoten waren inmiddels opgehouden erover te praten, omdat iedereen dacht dat ze gek waren geworden. Het was voor de vrouwen uit alle landen zo’n verwarrende, zelfs traumatiserende gebeurtenis, dat ze er uit schaamte nooit meer over hebben gesproken. 

Ook Gail kon het niet bewijzen. Er waren nergens beelden te vinden, dus er viel niets te googelen. Aan die onzichtbaarheid en miskenning maakt Copa 71, in kleur en met een overweldigend geluid van tot wel 110.000 supporterstijdens de finale, een eind. Het is alsof er een schat is opgedolven en de geschiedenis zo eindelijk kan worden gekend. Nu begrijpt ze beter dan ooit dat zij op de schouders van haar moeder staat. Ze ziet haar over het veld sprinten richting het doel, in dat mooie witte shirt van Engeland eneindelijk is daar de bevrijdende erkenning dat het echt gebeurd is.

Wat de opgevoerde hoofdrolspeelsters in Copa 71 gemeen hebben, is dat zij vanuit hun tenen houden van voetbal en dat zij rebels zijn. Silvia Zaragoza uit Mexico voetbalde haar hele jeugd op straat. Dat mocht niet van haar vader, die vond dat ze zich als een meisje moest gedragen en moest worden klaargestoomd om het huishouden te doen. Als hij thuiskwam en haar zag voetballen, sloeg hij haar. De spanning bij die woorden is nog van haar gezicht te lezen. Maar ze hield van voetbal en ze liet zich niet onderdrukken, dus sprong ze van het dak de straat op en deed het stiekem. 

Wie denkt dat alleen Mexico een conservatief land was in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw, komt bedrogen uit. De Engelse Carol Wilson vertelt een soortgelijk verhaal. Als kleuter liep ze met haar vader en moeder (‘snow was in me wellies’) door een pak sneeuw naar het stadion van Newcastle United. Het bulderende geluid deed haar zowel eng als verleidelijk aan. Toen ze begreep dat het geluid van een voetbalwedstrijd kwam en deze daarna bezocht, wist ze: dit wil ik ook. Maar ze had niets te willen, want voetballen was voor meisjes verboden. Korfbal, hoepelen en hockey en verder je mond houden.

Maar rebelser dan Elena Schiavo, spits van Italië, zijn ze niet gevonden. Zij was altijd het enige meisje dat op straat voetbalde. Vaak mocht ze niet meedoen. Als dat gebeurde, sloeg ze er eentje in elkaar, zegt ze droog. Die straatvechtersmentaliteit zou nog een bijzondere rol spelen op het latere toernooi.

Copa 71 toont, mede dankzij historicus David Goldblatt, treffend aan dat er onder meisjes en vrouwen, ongeacht nationaliteit en afkomst, altijd een enorme passie is geweest voor voetbal. In de negentiende eeuw gingen steeds meer vrouwen voetballen en was de sport populair. Tegen 1917 waren er alleen al in Engeland honderd clubs en die aantallen stegen. De beelden daarvan zijn geweldig om te zien. Vrouwen met lang vallende shirts, keurige broeken, maar toch boven de knie en met frivole, Eliza Doolittle-achtige hoedjes op. De grote populariteit van toen was mij totaal onbekend. Het geeft ook aan hoe groot de tegenkrachten zijn geweest. Altijd stuitten voetballende vrouwen op weerstand bij mannen; mannen in voetbalbonden en op andere machtige posities. Artsen verklaarden in wetenschappelijke tijdschriften dat voetballen ongezond was voor vrouwen en dat het hun baarmoeder en eierstokken kon beschadigen. 

In Engeland werd vrouwenvoetbal in 1921 verboden door de bond en elke club die het faciliteerde werd geschorst. Dat verbod was in 1971 net opgeheven, volgens Engelse media nadat de vrouwen er maar lang genoeg over hadden gezeurd. In Brazilië was het voor vrouwen zelfs decennia bij de wet verboden om te voetballen. Pas eind jaren zestig kwam de sport internationaal onder vrouwen weer op gang. Het was een ware revolutie, surfend op de tweede feministische golf. ‘Mannen speelden op gras, wij moesten spelen op zand, maar dat maakte ons niet uit. We moesten spelen! Misschien was het wel een politieke daad’, zegt Elvira Aracén, keepster voor Mexico. De opsomming van vernederingen en bespottingen die de vrouwen over zich heen kregen, is nauwelijks aan te zien.  

Nederland deed niet mee aan het WK in 1971, zij werden kansloos uitgeschakeld door Frankrijk. Nederlandse vrouwen waren slechts twee jaar daarvoor weer begonnen met voetbal, dus erg verwonderlijk was dat niet.

Een genoeglijke bijrol wordt gespeeld door Harry Batt, een man die op zichzelf een speelfilm waard is. Hij was een lokale trainer met een missie om vrouwenvoetbal groot te maken. Het WK kwam toen het verbod op vrouwenvoetbal net was opgeheven, dus het leek erop dat de Engelsen geen team zouden kunnen vormen. Hij had lak aan alle verboden en schuimde heel Engeland af in zijn donkerblauwe Jaguar om zijn elftal samen te stellen en financiering voor de onderneming te ritselen. 

Harry Batt met het Engelse elftal

In 1970 had het WK mannen plaatsgevonden in hetzelfde grote stadion in Mexico, met sterren als de iconische Pelé. De infrastructuur was al aangelegd en zakelijk was het enorm winstgevend. Het waren dan ook ondernemers die het WK voor vrouwen optuigden. Voetbalbonden wereldwijd erkenden vrouwenvoetbal en daarmee dit WK niet. Het maakte de oerconservatieve FIFA furieus. We zien de toenmalige voorzitter Stanley Rous van de FIFA de trap van het hoofdkantoor in Zürich oplopen naast Prins Bernhard. Vrouwen die voetbalden, was de boodschap, waren schandelijk, immoreel en, een heel belangrijk woord, onbescheiden. Ze dreigden clubs die hun stadion beschikbaar stelden met enorme boetes, waardoor het toernooi noodgedwongen alleen kon worden gespeeld in de twee grootste stadions van Mexico, die in bezit waren van het grootste landelijke mediabedrijf. 

Een geweldige promotiemachinerie zorgde ervoor dat al die stoelen bezet waren. Daar wringt de schoen dan wel meteen. Door klachten over ‘manwijven’ en terug moeten naar de keuken, lijkt het de PR-afdeling zaak om vrouwen uit te venten als sexy en ‘vrouwelijk’. Er gaat worden gevoetbald in hotpants, de palen zijn versierd met roze strepen, er zijn schoonheidssalons in de kleedkamers; alles om de twee grote passies van mannen, voetbal en vrouwen, te combineren. Het gaat dus wederom over het mannelijke perspectief en vrouwen mogen wel voetballen, maar alleen als ze knap zijn. 

De speelsters, die veelal niet eens spullen hadden om in te spelen, belanden desalniettemin in hun wildste droom. In de twee maanden tussen aankomst en vertrek worden ze gefêteerd als supersterren.

De beelden over het verloop van het toernooi zijn, wederom, een mix tussen de ontroering van een alles veranderende droom en een brute nachtmerrie en dit alles in bijna mythische proporties. De Deense bus is krakkemikkig en strandt ergens in een woestijn, waarna de Italiaanse ploeg, heerlijk genesteld in een nieuwe bus mét airconditioning, de gestrande vrouwen, tegen wie zij later in Guadalajara spelen, komt halen.

Er is een staking, want al het geld dat verdiend wordt aan de vrouwen verdwijnt in de zakken van mannen. De Mexicaanse ploeg weigert daarom de finale te spelen tegen Denemarken, maar uit liefde voor het spel en het publiek zetten ze niet door. Het winnende team van Mexico troost het Engelse team dat zij versloegen in hun hotel, net als het publiek. De Engelsen, die lang zijn en veel door de lucht spelen, met lange passes en kopballen, leggen het af tegen de hoogte, de hitte en de Mexicanen, die ‘als muisjes’ langs hen heen schieten en sterk zijn over de grond.

De beelden die te zien zijn, vertonen goed, technisch spel, met bij vlagen en soms de hele wedstrijd lang mokerharde overtredingen. Er is een botbreuk, waarna Wilson door haar eigen ploeg van het veld wordt gedragen en er is een impulsdoorbraak bij de destijds beste speelster van de wereld, Elena Schiavo, die de hele Italiaanse ploeg laat ogen als een criminele bende en zowel arbitrage als Mexicanen aanvalt tot op het niveau van een lynchpartij.

Elena Schiavo (r) in gevecht met Silvia Zaragoza (l)

Ze heeft wel een punt, want er wordt heel dubieus gefloten en de scheidsrechter wordt kort daarvoor onredelijk woedend op haar. Zo krijgt het door het thuispubliek voortgestuwde Mexico twee penalty’s en worden van Italië twee weergaloze doelpunten afgekeurd, waaronder een Koemaneske goal uit een vrije trap van Schiavo. Die bereikt een kookpunt waarna ze haar revanche niet meer in sportieve zin komt halen. Ze zegt tegen de Mexicaanse rechtsbuiten Zaragoza, een geweldige speelster en stem in de documentaire: ‘Kom niet dichterbij, Zaragoza, of ik sla je schedel in.’ De wedstrijd eindigt in een regelrechte veldslag, in de tachtigste minuut.

Uitgeschakelde ploegen blijven in Mexico, knippen daar linten door, openen winkels, hebben de tijd van hun leven. Het lijkt een zekerheidje dat de Mexicaanse ploeg de finale wint, maar de Denen zijn twee koppen groter en drie keer beter. Vooral omdat ze beschikken over Augustesen, een zacht meisje van slechts vijftien jaar, dat drie keer scoort. Ik zoek naar haar op internet en zie haar staan, naast haar proostende ouders, ze lijkt sprekend op haar moeder, de lelijke wereldbeker in haar handen die Nikè moest voorstellen, maar dan een versie zonder hoofd en met wielen.

Het verlies van Mexico maakt de drie ringen in het stadion die zwart zien van de mensen stil. Mannen, vrouwen, oma’s, kinderen, iedereen blijft roerloos zitten en huilen. Dan begint er een luid applaus en wordt het weer een feest van waardigheid.

Bij thuiskomst wacht de ploegen het niets. Of erger dan niets, de gesel van de schaamte en de nieuwe verboden. De Deense ploeg komt op tv, maar daarna mogen ze niet meer spelen. Na 1971 is het Mexicaanse team ontbonden. De FIFA is geschrokken van het voetbalfeest en van het feit dat veel meisjes nu popelen om te voetballen. Ze schorsen de speelsters totdat het vrouwenvoetbal weer verdwijnt.

Het is een ontluisterend machtsmisbruik, maar het heeft niet kunnen voorkomen dat vrouwenvoetbal momenteel de snelste groeiende sport ter wereld is en dat de speelsters van nu wél professioneel kunnen spelen. Nu weet iedereen dat deze vrouwen de pioniers zijn die hen zijn voorgegaan. De geschiedenis van vrouwenvoetbal, of eigenlijk voetbal, is hiermee herschreven. Je zou denken dat de tijd is aangebroken voor officiële excuses van de FIFA. 

Blooot

Rondspringende kalveren in de wei, niet te veel en hopelijk hebben ze alle ruimte, is het gras groen en biodivers geschakeerd met klaver, cichorei, boterbloemen, veldzuring en wat dies meer zij. Lammetjes, o, lammetjes, ik kan veel hebben, maar lammetjes maken mij tot moes. Bloesems aan de bomen, sneeuw die als veertjes over de straten dwarrelt. Zelfs de vette krokussen van de biologische bollenboer, vorig jaar nog in een race tegen de klok door mij met de hand zorgvuldig ingegraven omdat de kinderen er even geen zin in hadden zich bezig te houden met de natuur, ze schoten al uit in hun bakje op de piano en toen heb ik ze biddend in de aarde gelegd, schieten dit jaar weer omhoog tussen de hazelnoten en struikgewassen waar nog geen blad aan valt te ontwaren.

Was u ook zo springerig, een beetje opgewonden? Gebeurden er lichamelijk en geestelijk dingen met u die u in het midden van de winterdepressie, een week geleden nog knellend als een te kleine jas, niet had kunnen bevroeden? Nou, bij mij wel. Ik kreeg er gewoon weer zin in toen ik al die aardse sappen zag stromen. Aan de natuur ligt het niet. Zij regent gewoon braaf, zij wordt warm en koud, verbergt het leven in zich en perst het er langzaam uit. Zij probeert er het beste van te maken. 

Gisteren fietste ik door het centrum van het centrum van de stad en schampte met mijn voorhoofd tegen een hele dikke hommel. Zaken die vroeger misschien tot irritatie leidden omdat het in dergelijke straten een gedrang was van fietsers en insecten kunnen tegenwoordig dankbaarheid ontlokken en een vertwijfeling die grenst aan een waanbeeld. Want wie zal mij geloven? Een heuse hommel! 

Mijn lentekriebels werden kortstondig verdrongen door de georkestreerde ophef over het voorlichtingsprogramma “Lentekriebels” dat de Rutgers Stichting in samenwerking met de GGD’s al zeker vijftien jaar aanbiedt aan basisscholen.

DENK deed er nog een schepje bovenop door te fulmineren over ‘blooot’, want gadverdamme, je moet er toch niet aan denken dat je onder je kleren allemaal bloot bent en een lichaam hebt.”

Baudet bevroeg de minister voor Onderwijs Wiersma tijdens het vragenuur en manipuleerde en loog zo de volwassenen die toch al neigden naar het aartsconservatieve Amerikaanse discours over seksualiteit en tegen wokeness en LHBTIQ+, in de richting van afkeer voor dit programma. DENK deed er nog een schepje bovenop door te fulmineren over ‘blooot’, want gadverdamme, je moet er toch niet aan denken dat je onder je kleren allemaal bloot bent en een lichaam hebt. Dat dit niet de partijen zijn waar veel mensen op stemmen deed er even niet toe, social media sloegen erop aan, de Rutgers Stichting werd aangevallen, op de radio moest een pedagoge uitleggen wat we godzijdank allang al weten.

Het was een moment om Ellen Laan enorm te missen. Haar hadden ze zeker opgebeld en dan was ze vol vuur, kennis en relativering ingegaan op de ophef. Zo oud als de wereld. Het had haar als seksuologe vast teruggebracht naar andere tijden, zeg de jaren vijftig. Er gaat overigens geen decade voorbij of dit soort sentimenten herleven.  

In een kop van de NOS stond: ‘Ouders maken zich zorgen over de normalisering van seks bij kinderen.’ Zelf zou ik denken dat ze dit kunnen toejuichen en zich pas zorgen moeten maken als het wordt geabnormaliseerd.” 

Geef kinderen toch ook de kans om ‘gadverdamme’ uit te roepen bij het hele idee van zoenen, om te giechelen en zelf hun moment van ontwikkeling te vinden. Laat ze voelen dat ze nog ver willen blijven van het andere geslacht(sdeel), maar geef ze als ze douchen de gelegenheid om rustig te kijken naar hun eigen geslachtsdeel, hun lichaam zoals het is, eraan te voelen en het te onderzoeken. Een oor dat terugflapt, een teen die zich verstopt onder een andere teen, de plooibaarheid van een balzak, het maffe van tepels. 

De mens is een seksueel wezen, zoals alle dieren. Laat kinderen toch met rust door daar geen taboe op te leggen dat enerzijds leidt tot de preutsheid van in de kleedkamer douchen met je kleren aan en aan de andere kant tot de verwrongen penetratieporno die ze stiekem zullen zien, met alleen enorme piemels en gladde kutten die van alles zouden willen, zolang het maar passief is. 

In een kop van de NOS stond: “Ouders maken zich zorgen over de normalisering van seks bij kinderen.” Zelf zou ik denken dat ze dit kunnen toejuichen en zich pas zorgen moeten maken als het wordt geabnormaliseerd. 

Eigenlijk is dit een les voor ouders in omgaan met misinformatie en desinformatie. Als ouders zorgen hebben, is dat een teken van betrokkenheid. Prima, maar informeer je dan wel goed, door met je kind te praten, hierover te lezen of desnoods een korte check met de docent. Een tip voor wat je niet moet doen is het kwijtraken van het onderscheid tussen bezorgdheid en wantrouwen. Kortgezegd: als iemand het woord ‘pedofilie’ gebruikt als hij praat over seksuele vorming, ren dan heel hard weg. Je wilt je kinderen gezond en veilig in de wereld zetten. Het laatste dat je dan kunt gebruiken is geloven dat seks een taboe is, homoseksualiteit smerig, besmettelijk en dat het gelijk valt te schakelen met pedoseksualiteit. Waarschijnlijk schieten je kinderen er niets mee op door te worden onderdrukt en evenmin door te denken dat sommige bestuurders eigenlijk reptielen zijn. Mocht iemand dus tijdens het vragenuur zeggen dat ‘de sluipende normalisering van pedofilie ook moet stoppen’, sta dan eens stil bij het fenomeen projectie; wie bedenkt dit en waarom zegt hij dit? 

“Kinderen die een goede seksuele en relationele vorming hebben gekregen, worden op latere leeftijd seksueel actief. Zij zijn weerbaarder, wat de kans op allerlei vormen van seksueel geweld helpt verkleinen.”

Ouders die hun kinderen hebben gevraagd wat er was besproken in de lessen kregen bijvoorbeeld te horen dat ze hadden besproken dat je iemand lief kunt vinden en verliefd kunt zijn (groep 3), dat je het beter eerst kunt vragen als je iemand knuffelt en dat je ook nee mag zeggen als anderen je aanraken (groep 5), dat homo geen scheldwoord is (groep 8), dat het niet uitmaakt hoe je eruitziet en dat iedereen bijzonder is (groep 6), wat een naturistencamping is (blooot!) en dat ze lammetjes hadden zien worden geboren op de boerderij.

Want nu de feiten, hoewel ik begrijp dat het tegenwoordig heel gevaarlijk kan zijn je op feiten te baseren: Seksuele voorlichting op school bestaat al als kerndoel voor de overheid sinds 2006. De lessen worden jaarlijks gegeven en door kinderen leuk gevonden. Ze zijn afgestemd op het ontwikkelingsniveau van de kinderen. Elk jaar wordt aan dit programma geschaafd, gebaseerd op nieuwe kennis en feedback van kinderen en docenten. Scholen kiezen zelf voor een bepaald programma. 

Kinderen die een goede seksuele en relationele vorming hebben gekregen, worden op latere leeftijd seksueel actief. Zij zijn weerbaarder, wat de kans op allerlei vormen van seksueel geweld helpt verkleinen. Ik heb jaren gewerkt bij de Kindertelefoon voordat ik psycholoog werd. Daar heb ik ontelbare gesprekken gevoerd over seksuele voorlichting en helaas ook met kinderen die aangerand, verkracht of misbruikt waren. Dat gebeurt meestal niet door een man in de bosjes, maar het is een glijdende schaal met bekenden, waardoor het heel helpend kan zijn te weten dat je nee mag zeggen, te zien wat wel en niet oké is en hier een weg mee te vinden. Ook vanuit daderperspectief is seksuele vorming onontbeerlijk. 

Daarnaast zijn kinderen met een gezonde seksuele ontwikkeling op latere leeftijd relationeel verbondener en hebben ze minder vaak SOA’s en ongewenste zwangerschappen. Ze zijn geïnformeerd, gelijkwaardiger en toleranter voor diversiteit. 

Pas sinds 2016 is de kennis over de clitoris een grotere rol gaan spelen en dit jaar is er voor het eerst een demomodel van. De 500 beschikbare exemplaren waren in korte tijd allemaal besteld door scholen. Dit is belangrijk omdat de clitoris niet zichtbaar is, zoals wel de piemel, die door jongens elke dag wordt vastgehouden en gezien. Achterliggende gedachte, mede op basis van Ellen Laans wetenschappelijke onderzoeken, is dat er seksuele ongelijkheid is. Dit leidt tot seksuele- en emotionele problemen bij zowel mannen als vooral vrouwen, zoals de orgasmekloof. Er ligt een overmatig accent op penetratieve seks, waarbij het plezier en de opwinding van de vrouw ondergeschikt zijn. Vrouwen komen minder vaak klaar en hebben vaker last van pijn bij het vrijen. Mannen hebben steeds vaker last van erectieproblemen en faalangst. 

Wel zo prettig als zowel jongens als meisjes zich, om te beginnen, bewust worden van de anatomische verschillen. En dat het woord ‘schaamlippen’, de kuisheidsgordel van het seksuele taalgebruik, in de prullenbak is verdwenen. Dat de clitoris net als de penis zwellichamen heeft en dat ze ook qua grootte en werking veel gelijkenissen met de penis vertoont, is niet alleen een onontbeerlijke biologieles, maar ook een belangrijk vertrekpunt.

Mensen die zeggen dat ouders beter seksuele voorlichting kunnen geven dan scholen, hebben ongelijk. Hoewel veel ouders dit prima kunnen, goed doen én van hun kinderen mogen, geldt dat voor andere ouders en kinderen niet. Bovendien is dat soort vorming iets heel anders dan een klassikale uitwisseling. Thuis én op school, met humor en plezier, dat zou mooi zijn. 

Mazzelpikken zijn we, dat we wonen in dit land. Misschien komt het nog eens goed met de figuurlijke bloemetjes en bijtjes in de wereld. Wat zal die hommel daar jaloers op zijn.

De Jongen met de Parels

Sebastiaan, blijkt hij te heten. In mijn hoofd “De Jongen met de Parels”. Hij is een bewegend tableau van Vermeer in 2022, tegen de negentiende-eeuwse achtergrond van het Concertgebouw. Tijdens een uitvoering van Verdi’s Requiem klimt hij op zijn stoel en doet zijn zegje, luid en duidelijk. Zoals wel vaker zegt hij daaraan voorafgaand: “Sorry.” Daarna: “We zitten middenin een klimaatcrisis en wij zijn als het orkest op de Titanic dat rustig blijft spelen terwijl het schip al aan het zinken is.”

“Hij zit midden in een klimaatcrisis, zij midden in een requiem.

Veel meer dan dat zegje wordt het niet, want enkele bezoekers trekken hem opvallend snel, bijna vakkundig naar buiten. Die knokkersmentaliteit had niemand achter ze gezocht. Andere bezoekers applaudisseren. Hij zit midden in een klimaatcrisis, zij midden in een requiem. Nu even niet beginnen over smeltende poolkappen en dat de zee ons komt halen, straks het glas wijn en de nootjes van Gotjé. 

Nu heb ik een zwak voor jongens met parels. Het zijn jongens die zich bevinden tussen jeugd en volwassenheid, tussen stereotypes van man en vrouw, die al voorgaan richting de nieuwe wereld. Jongens met verachting voor de conventies die ze vermalen. Ze weigeren om klakkeloos carrière te maken en geld te verdienen zoals hun ouders dat deden. Ze vragen zich af hoe ze van groter nut kunnen zijn, zoeken erkenning en proberen deze te geven aan de miskenden, tegen de klippen van hun eenzaamheid op. 

Echt moedig ben je als je je stem durft te verheffen, als je mensen ongemakkelijk en boos durft te maken

In de film over David Bowie, overigens een aanbevelenswaardige trip van een film, was een rij fans te zien bij een van de concerten van Bowie. Ze waren allemaal fan om dezelfde reden: verliefd adoreerden zij zijn uniciteit, zijn vermogen om telkens een andere gedaante aan te nemen. Ze hunkerden naar een onconventioneel leven en hadden zich vervolgens allemaal zo uitgedost als hij. Met een grote, Alice Cooper-achtige omtrek van make-up om één oog, punkhaar en dito kleding. De imitaties waren zo goed dat het leek te gaan om kandidaten voor de Playbackshow.  

Beminnelijke pogingen tot het vormen van een eigen stem, al even beminnelijk mislukt. Echt moedig ben je als je je stem durft te verheffen, als je mensen ongemakkelijk en boos durft te maken, wetende dat je waarschijnlijk uitstoting en geweld staat te wachten en in veel gevallen een rechtszaak en een strafblad.

Er is een schrijnend gebrek aan erkenning voor de jongvolwassenen van nu. Ze schoppen ouderwets tegen hun ouders, maar dit keer met een totaal nieuwe toon en inhoud. Zij zijn de volwassenen in de relatie, hun ouders de kinderen. Ik had Sebastiaan eerder gezien, bedacht ik. Het was in de documentaire van 2Doc: “Klimaatrebellen, tussen hoop en wanhoop”, waar hij met zijn moeder praat en haar vraagt: “Waarom heb je mij geboren laten worden?”

Zij was vroeger zelf ook een activiste. Ze lag op straat tijdens een “die-in”, waarbij je voor dood gaat liggen bij wijze van protest en demonstreerde in Denemarken tegen het militarisme. Ze had er wel lang over nagedacht, zei ze. Maar ze had er geen spijt van dat ze hem had gekregen, uiteindelijk toch omdat ze dit zelf zo graag wilde. 

“Ik kan geen kinderen meer krijgen”, zei hij. “Ik heb altijd stress en ik ben bang voor de ineenstorting van de maatschappij.” Zij ontkent de crisis in het hele gesprek niet. “Toch is het bestaan de moeite waard”, zegt ze. “Mensen in oorlogsgebieden zeggen toch ook niet dat dit niet zo is?”

Sebastiaan deed zijn best zijn moeder te bereiken en zij was al een stuk verder op weg dan haar generatiegenoten in het Concertgebouw. Ik kom er vaak. Er zitten niet alleen rijke, oude mensen uit Amsterdam, maar mensen uit allerlei generaties, beroepen en windstreken. Het is een piekfijne plek om zo’n punt te maken en omdat er aardig wat publiek zit, krijg je meteen een reactie. Je maakt niets stuk, het is vreedzaam, je bent in het huis van de kunsten, die andere bron des levens naast de natuur die behoed dient te worden, maar die ook aanzet tot verandering en confrontatie. Daar moet toch enig gehoor te vinden zijn?

Zou ik durven roepen: ‘Laat hem uitpraten?’ Zou ik klappen voor hem?”

Wat zou er gebeuren als het publiek de verstoring zou aanvaarden en de jongen liet uitpraten? Zou ik durven roepen: “Laat hem uitpraten?” Zou ik klappen voor hem? In de documentaire zit hij met een bord om zijn nek met de tekst: “Ik ben bang om oud te worden door de klimaatcrisis” op een weg in de bebouwde kom van een stad in Nederland. Auto’s toeteren en dan komt de politie en rolt hem, na een kort overleg met hem of hij zelf zal opstaan, naar de stoep. Uit de ramen hangen mensen die naar beneden roepen: “Goed van je, man! Respect!” De automobilist die het langste moest wachten en al die tijd oog in oog met hem zat, passeert hem en steekt vanuit het open raam zijn duim op.

Activisme is een noodzakelijke voorhoede die moet aanzetten tot een reactie, tot verandering, tot handelen. Over de klimaatcrisis valt niet meer te discussiëren. Die is er en iedereen zal het merken. Dat ontkennen is met open ogen op de klanken van het orkest zinken als een baksteen.

Deze actie stemde mij tot mijn verbazing opgelucht. Eindelijk werden er geen schilderijen op vreemdsoortige manieren aangevallen. Activisme moet pijn doen, maar het besmeuren van weerloze meesterwerken is wat mij betreft een al te pijnlijk en beperkt idee, waarbij ook nog eens, wel degelijk, onvervangbare schoonheid kan worden beschadigd. 

Dit deed ook pijn, voor het orkest en voor het publiek, maar er werd niets beschadigd. Bovendien roept het een dialoog op. De verandering kan ter plaatse beginnen. Alles wat daarvoor nodig is, is dat men de Jongens met de Parels en hun inconvenient truth wil horen. 

Solidariteit

Uit ontzag voor de rood uitgeslagen bladeren aan de jonge planten en boompjes van de tuin, aten we andijvie-stamppot. De zomer was voorbij, heel Indian zou hij niet meer worden. We hadden ons daarin geschikt en de tuinmeubelen alvast in de schuur aangestampt.

Onze elfjarige dochter, net begonnen op de middelbare school, schepte in de pan en zei: “Voor Filosofie moeten we een essay schrijven over solidariteit. Ik weet wel ongeveer wat het is, maar niet helemaal. Wat denken jullie?” Zo blij als ik was dat ze Filosofie krijgt en dat nadenken een belangrijke waarde in haar scholing zal zijn, nog blijer werd ik toen ik constateerde dat het stellen van zinvolle vragen meteen was begonnen. Haar broertje van acht antwoordde: “Ik denk dat het zachtheid is.” Daar had hij een punt.

Tranen van woede stonden in haar ogen terwijl ze haar boodschap afleverde, het afgeknipte haar in haar hand houdend, de mond verdrietig maar strijdbaar.

Maar solidariteit is ook woede. Liefdevolle woede, activistische woede die wat kwetsbaar is met hart en ziel, lijf en leden, met alles in zich zal verdedigen. In de kwestie van de opstanden tegen het geweld in Iran werd dit indringend gedemonstreerd door de Zweedse Europarlementariër Abir Al-Shahani. Zij eiste, namens de mannen en vrouwen die gebukt gaan onder het regime in Iran, een onvoorwaardelijk en direct einde aan geweld en onvrijheid. “Totdat wij vrij zijn, zal onze woede groter zijn dan die van onze onderdrukkers”. Daarna pakte ze een schaar; een ijzingwekkend beeld, zeker als iemand hem hanteert in een parlement. Maar misschien is dat mijn perceptie, omdat ik woon in een land van politieke moorden. Het ijzingwekkende werd geïllustreerd door het door de microfoon uitvergrote geluid van de snijvlakken. Tranen van woede stonden in haar ogen terwijl ze haar boodschap afleverde, het afgeknipte haar in haar hand houdend, de mond verdrietig maar strijdbaar.

“Wij kunnen ook onze haren afknippen,” suggereer ik. Mijn dochter weet het nummer van de Kindertelefoon. “Maar we bereiken er niemand mee, anders dan dat ze denken dat we toe waren aan een nieuw kapsel, of te veel hebben gekeken naar Stranger Things.”

Solidariteit vereist verbondenheid met het lot van de ander én empathie. Evenals empathie is solidariteit gebaseerd op de communicatie ervan. Ze staan nooit op zichzelf, maar vinden plaats in een onderlinge relatie. “Wij kunnen ook onze haren afknippen,” suggereer ik. Mijn dochter weet het nummer van de Kindertelefoon. “Maar we bereiken er niemand mee, anders dan dat ze denken dat we toe waren aan een nieuw kapsel, of te veel hebben gekeken naar Stranger Things.” 

In het kader van de impact van een boodschap was het jammer dat er bij Op1 gisteren doorlopend werd gesproken tijdens het afknippen van de haren van Yesilgöz, Candan en Ekiz. In de rommeligheid verloren de daden iets van hun betekenis, omdat de bijbehorende woorden niet klonken. Maar het blijft Op1 en dit is Nederland, waar men net de zoveelste gênante uitzending van de Televizierring achter de kiezen had en het leven gewoon doorgaat, zoals kennelijk ook Jan Smit.

Op Twitter, waar alles met de macht 100 gepolariseerd wordt, waren er op het afknippen van die, overigens prachtige, lange haren reacties te lezen als “narcistisch” en “islamofoob”. Het lukte sommigen niet hun opportunistische oordelen te overstijgen voor het hogere doel, dit te vieren als de belangrijke daad die het is: Een Nederlandse minister van Justitie die haar haar afknipt op televisie uit solidariteit met de vrouwen in Iran. Als de bijvangst hiervan is dat er kan worden geoefend met het opzijzetten van onderlinge verschillen in het belang van iets groters, komen we nog eens ergens. Crises dwingen tot ontwikkeling. Crises dwingen tot solidariteit. Door een langdurig gebrek aan crises zijn wij zo vervelend en navelstaarderig geworden.

We staan op de rand van een kernoorlog. Wat een zin om te schrijven. Er is een crisis die Biden in een helder moment noemde: “De dreigendste nucleaire crisis sinds de Cubacrisis”, een dieptepunt in de Koude Oorlog in 1962, waarbij een kernaanval maar ternauwernood werd voorkomen doordat de twee mannen (waarvan akte) die erover gingen brieven begonnen te schrijven in plaats van kernbommen te werpen. 

Een schaar in de hand- niet om mee te steken, maar om je haren af te knippen zoals deze moedige Iraanse vrouwen massaal hebben gedaan. Een verheven stem tijdens een demonstratie- niet om door elkaar te schreeuwen en te beledigen, maar om een aanzwellend tegengeluid te maken dat zo goed draagt dat het kan worden gehoord. Een zachte, maar scherpe pen.

In een land als Nederland, dat net als de rest van ons continent angstwekkend neigt naar rechtsextremisme, tijdens een vluchtelingencrisis, een klimaatcrisis en een totaal geëxplodeerd probleem met inflatie en gasprijzen, is wijsheid even noodzakelijk als zachtheid en nuance. Geweld niet beantwoorden met meer geweld, maar juist met veroordeling- en de-escalatie van geweld. Onze samenleving en onze fragiele globalistische samenleving hunkeren naar solidariteit. Het wordt dat, of onze ondergang.

Een schaar in de hand, niet om mee te steken, maar om je haren af te knippen zoals deze moedige Iraanse vrouwen massaal hebben gedaan. Een verheven stem tijdens een demonstratie- niet om door elkaar te schreeuwen en te beledigen, maar om een aanzwellend tegengeluid te maken dat zo goed draagt dat het kan worden gehoord. Een zachte, maar scherpe pen. 

De borden waren leeg. Morgen weer iets van rijst, werd er geopperd tijdens het afruimen. Of een salade, iets dat lichter op de maag ligt. Er is al genoeg te verteren. Zaterdag 8 oktober staan we op het Malieveld, want scholing gebeurt niet alleen op school en solidair zijn doe je niet alleen. Daarna kunnen we eventueel nog langs Ter Apel om te zien wat er gebeurt bij een gebrek aan solidariteit. Er valt voor iedereen zoveel te leren, daarvoor hoef je niet op de middelbare school te zitten.