De gekste vraag

Columnistenjacht, geplaatst in Volkskrant 28 augustus 2019

De gekste vraag

De gekste vraag in reactie op de zwangerschap van mijn vrouw kaatste tegen de gevelmuren van de smalle Eerste Tuindwarsstraat: “Hebben jullie geneukt?!” In die tijd leerde ik dat onbeantwoorde vragen de neiging hebben om rond te dolen; toen ik later boodschappen deed hoorde ik hem nog in mijn oren snerpen. 

Nu geef ik toe dat de vraag uit de snavel kwam van de kraai van de straat, Jantje, Jordanese paradijsvogel, die gekleed ging in een kleurrijke djellaba en die zijn tomaatrode, zwaar beschadigde Canta steevast dwars op welke stoep dan ook pleurde, waarna hij ruzie maakte met de buren. Hij was geen man, geen vrouw, geen dier, geen mens, geen volwassene, geen kind en is inmiddels, tot mijn treurnis, alweer zes jaar dood en natuurlijk vervangen door twee bovenmodaal verdienende dertigers.

Het leukste aan de vraag was het gesprek dat ik daarna op straat met hem had, over hoe zijn toenmalige huisgenoot in de jaren zeventig op ‘natuurlijke wijze’ een vrouw had ‘geïnsemineerd’ in hun woongroep. ‘Dat was toen heel normaaaaaal’, kraste Jantje: ‘En feilloos.’

Wij hielden het toch maar bij een zorgvuldig uitgezochte lieve donorvader, wat ongemakkelijk gefrutsel met een duralexglas in klein formaat waar ik mijn handen goed omheen kon sluiten om het zaad warm te houden, waarna ik naar boven liep en met een authentiek oren-uitspuitspuitje feilloos en eigenlijk nog best intiem, de inseminatie verrichte.

Het bal

Mijn even charmante als doortastende gezelschap had kaartjes weten te bemachtigen. Dat valt niet mee als de voorstelling drie dagen geleden is gepland en er beperkt plaats is. Uitgehongerd begaf het publiek zich naar de Rabozaal (je kunt niet alles hebben.) Het ging langs opgeveerde dames met bordjes waarop stond te lezen dat het mondkapje op moest blijven tot je zat en dat de wc van de dames links was en die van de heren beneden. Dit in tegenstelling tot de knusse genderneutrale versie in het oude gebouw, waar ik plassende voort een vriend tegenkwam, ook uit zijn winterslaap herrezen. Spontaan vrienden tegenkomen, dat kan dus weer. 

Godzijdank hadden ze in de Stadsschouwburg niet werkelijk anderhalve meter en dus drie of vier lege stoelen uitgemeten, maar kreeg het publiek bij binnenkomst de door het mondkapje half verstaanbare opdracht die stoelen te kiezen twee stoelen verwijderd van de andere gelukkigen. Dat werkte prima. De zaal leek ouderwets gevuld en er kon luid genoeg worden gejoeld om te vieren dat de honger eindelijk was gestild. Kesting en Hebink speelden uit stand iedereen de moeder, heel passend voor een stuk als Oedipus. 

Binnenstebuiten gekeerd stapten de toeschouwers de deur uit, een andere wereld in. Als veegwagens reden een stuk of tien politiebussen de diverse zijden van het Leidseplein op. Een kutplein zonder enige sfeer of statuur en dat was meteen het enige dat hetzelfde was. 

De avond was nog niet lang gevallen en de stad nog niet lang genoeg in hergebruik genomen om te ruiken naar verschaald bier en urine. Het rook er naar helemaal niets. De straten waren nog niet bezaaid met stukgevallen glazen waar de echte veegwagens de volgende ochtend voor moesten uitrukken. Op het hele plein lag slechts één spoortje glas, waar ik precies mijn fietsband doorheen wist te rijden. 

De jongeren waren eindelijk losgelaten en ze wisten niet precies wat ze met die herwonnen vrijheid aan moesten. Dat culmineerde in: Naar het Leidseplein!, zoals iedereen die de stad niet goed kent wordt gezogen naar dat lelijke gat. Je zag ze hunkeren naar iets, zoeken en nog niet vinden. Er was iets met achter knappe meisjes aanlopen en dingen naar ze roepen, gegiechel terug, blowen en bij McDonalds eten, maar het verliep allemaal heel verstrooid en in kluitjes van aan elkaar hangende seksen op zoek naar oriëntatie. Hoe doen we dit ook alweer, dwarrelden de kluitjes. 

Dronken waren ze al wel, want je moet vroeg pieken als alles om 22 uur dichtgaat.  Het begon te lijken op een aanzwellend opstootje. Geschreeuw, jongens die naar buiten werden geduwd, slingers van mensen die zich in de enige tram naar huis probeerden te wurmen. Daar ging de anderhalve meter. Als je niet beter wist zou je zeggen dat het drie uur ’s nachts was, maar het was 21.45 uur, de tijd waarop alles op scherp wordt gezet, vlak voor de handhaving. 

Een Ier genaamd Martin slingerde zich fietsend ter hoogte van een donker Paradiso naast ons en vroeg onze namen. Hij woonde in Oost en sprak een beetje Nederlands, waaronder een natuurlijk klinkend: “Sjonge jonge.” 

“Merel”, zei ik, waarna hij “Mier?” terugzei. Onvermijdelijk kwam het gesprek op Meryl Streep, op wie hij toegaf toch wel een kleine crush te hebben. “Wie niet?” smachtten wij in koor, waarop Martin liederlijk doch onderhoudend confabuleerde dat Meryl hem ook zag zitten en hem had gevolgd naar Amsterdam. Hoe ze hem stalkte, hoe ze hem complimenteerde over zijn onberispelijke Nederlands, hoe hij haar woordjes leerde nadat ze elkaar eindelijk hadden ontmoet op de Dappermarkt en hoe hij er verontwaardigd achterkwam dat haar ouders al dood waren en zij inmiddels 200 jaar was. 

“Het maakt niet uit, Martin”, zei ik. “Zij zal je harder afwijzen dan jij haar en daarna neem ik haar mee naar de Stadsschouwburg, waar we kijken naar Hans Kesting die zij niet verstaat en waar ze toch van onder de indruk is. Haar hand zal zich in het donker van de voorstelling voorzichtig in de mijne vlijen.”

“Haha”, lachte Martin met Ierse tongval, ”tot zjiens!” In een vloeiende gebogen lijn boog hij af naar de Linneausstraat. Het bal des levens was heropend.

Spreekrecht

Stel: Je hebt twee sukkels van honden. Je laat ze te vaak op de bank zitten en geeft ze ook al te veel koekjes. Je gunt het niet alleen hun, maar stiekem ook jezelf om de pedagogische riem enkele gaatjes losser te doen.

Het is soms een gedoe dat ze er zijn, net zoals toen de kinderen nog thuis woonden, maar het houdt je in balans omdat je aan de andere kant een veeleisende carrière hebt die zich maar moeilijk laat relativeren. De honden schenken je vreugde en een lage hartslag. Je hebt onvoorwaardelijk de beschikking over een kwispelende thuiskomst en de warmte van een kop op je schoot. Zij zullen je nooit veroordelen.

Tijdens de avondwandelingen kun je na een intensieve dag nadenken, praten en lezen eindelijk in beweging komen en alles van je afzetten onder het geluid van gehijg en gesnuffel. Ze krijgen je per definitie de deur uit, weg van talkshows en ophef.

Stel: Je voelt je tijdens die avondwandelingen van de ene op de andere dag op je hoede. Je bent bang dat er iemand uit de bosjes schiet. Je merkt dat je andere routes gaat lopen. Je kijkt om je heen of er niet ergens een auto met open raam voorbijrijdt. Als er achter je voetstappen klinken, slaat je hart over. Stel dat je die gevoelens nog nooit in je leven hebt ervaren, zelfs niet toen je in oorlogssituaties of aan gevaarlijke missies werkte. 

Dan kan het zijn dat je de keuze hebt gemaakt om toe te treden tot de Nederlandse politiek. De kans is groot dat je in dat veld een hoge positie bekleedt. Bedreigd worden is daar tegenwoordig heel normaal. Sterker nog, ons land is inmiddels zo doortrokken van bedreigingen en geweld, dat je met grote waarschijnlijkheid kunt stellen dat je politiek niets voorstelt als je nooit aangifte hebt gedaan of geen persoonsbeveiliging hebt. 

Wie is er nog gek genoeg om zich in de politiek te begeven? Wie niet in de valstrik loopt het vertrouwen van de kiezer te verspelen door Haags gekonkel en partijdiscipline, kan tegen de burn-out des levens oplopen. Er is niets risicovollers voor het ontwikkelen van een burn-out dan mensen met idealen die hard werken. Wie het is gelukt deze hindernissen te ontlopen, wacht het lot van de politicus in tijden van social media. Ieder bekend gezicht wordt een potentieel doelwit, een herkenbaar hoofd dat gevaarlijk hoog boven het maaiveld uitsteekt. Je kunt de publieke zaak niet dienen zonder object te worden van het publiek. In dat publiek zitten vooral mensen die nog weten hoe het is om het hartgrondig met iemand oneens te zijn met behoud van respect, maar er is ook een miniem percentage dat zijn woede en andere impulsen niet onder controle heeft. Zij liggen anoniem ergens in het gras van de maaivelden verholen. 

Een veertiger die zich lafjes “X” noemde, uitte op het al even laffe Facebook, waarvan je je afvraagt wie er nog komen, op de pagina van D66, die nog blijkt te bestaan, zeer gewelddadige bedreigingen naar Sigrid Kaag. Hij nam ook demissionair minister De Jonge op de korrel. Iets met kogels en voor wie die waren en dat hij die zou betalen. Dat thema kwam twee weken later terug in zijn dreigement aan het adres van Kaag. “Bij deze geef ik u de melding dat ik voor vanavond 24.00 uur Sigrid Kaag ga aanvallen en haar zo ga verwonden dat ze of dood is, of nooit meer haar functie kan uitvoeren.” De bedreigingen zelf waren kortom iets minder laf. Het is lastig te voorspellen of iemand die zo ver gaat om ze te uiten ook overgaat tot de bijbehorende daad.

De rillingen lopen je, denkend aan Els Borst, over de rug. Zij maakte mee wat nog steeds als onhollands wordt beschouwd, ook al zijn ook Theo van Gogh, Pim Fortuyn en Peter R. de Vries om publieke of politieke redenen vermoord. In politieke moorden en geweld tegen politici, journalisten en andere publieke figuren zijn we net zo goed geworden als in musicals. Wilders wordt al jaren intensief beveiligd en hij is niet de enige. Het is tijd dat te erkennen als een oerhollands probleem en er iets tegen te doen.

Het diepgezonken vertrouwen van de burger in de politiek dient dringend te worden hersteld, maar burger en media kunnen ook iets terugdoen voor de politiek. Eén van de manieren om dit te doen is dat iedereen op Facebook, Twitter en andere platforms een geverifieerd account moet hebben. Zodra X en andere veelnummerige profielnamen herleidbare Erwin Bakkers worden met vier kinderen en een functie als afdelingsmanager in een elektronicabedrijf, wordt dreigende taal zeer onwaarschijnlijk. Verder is het belangrijk de haatdragende toon in discussies op social media te abnormaliseren. Woorden zijn in staat een geestelijke aanslag te plegen op iemands leven. Als veiligheid en vrijheid eenmaal van je zijn afgenomen, is dit lastig te herstellen. Om deze reden maakte Kaag gebruik van het spreekrecht. 

De NOS kopte met: “Bedreiger Kaag beschaamd na indringend betoog D66-leider in rechtbank.” Of X werkelijk beschaamd was of het vooral lastig vond dat hij uit zijn anonimiteit was gehaald en zou worden bestraft, was niet moeilijk te raden. Tegenover zijn gemompel klonken Kaags, inderdaad indringende woorden: “Ik werd er stil van. Voelde me ontredderd… Mensen zeggen dat ik het me niet moet aantrekken. Maar woorden doen er wél toe. Woorden kunnen verwonden … We moeten het niet wegwuiven als iets dat erbij hoort. Het hoort er niet bij.” Haar kinderen waren bang om thuis te komen. Het huis was een onveilige plek geworden door het werk van hun moeder, sprak ze. En: “Ik ben niet meer dezelfde onbevangen mens die terugkeerde naar Nederland.”

Spreekrecht heeft als grote meerwaarde dat het empathie bevordert voor het slachtoffer, niet alleen vanuit de dader, die daardoor in gewetensnood komt omdat hij zich verbindt aan het lot van het slachtoffer, maar vanuit iedereen die het aanhoort. Empathie bevorderen zou eigenlijk een vorm van actief burgerschap moeten zijn. Stemmen alleen volstaat niet. In discussies op social media en tijdens verjaardagen, of op straat, is het net zo goed een burgerplicht om te helpen voorkomen dat een agressieve bejegening bon ton wordt. Er zijn rechten en plichten, er is je stem verheffen en luisteren. 

Anonimiteit schept de afstand die nodig is om geweld te plegen. Zowel dader als slachtoffer moeten uit de anonimiteit worden gehaald. Empathie verkleint de afstand. Juist degene die het verste van jezelf afstaat, die je vreest of haat, moet je vermenselijken. Iedereen die wil bijdragen aan het maatschappelijk debat moet opstaan en zijn hoofd boven het maaiveld uitsteken.

Daar hoort bij dat vrouwelijke machthebbers niet denigrerender of meer op de persoon worden aangesproken dan mannelijke machthebbers. Rutte is geen heks, Kaag wel. Nog nooit lag een Amsterdamse burgemeester zo onder vuur als de vrouwelijke, links progressieve huidige burgemeester. Vorige week deed Sharon Dijksma aangifte vanwege een afbeelding ergens op een muur in Utrecht waarop zij een aan galg hangt. Het zou goed zijn als we onze kinderen en elkaar opvoeden met het idee dat het laag bij de grond is om vrouwen op hun sekse, uiterlijk of gezin te bashen. 

Haat zaaien is een gevaarlijke hobby. Neem liever een moestuin. Een hond, voor mijn part.

Woest

Het is prima dat de wereld verandert. Alleen neolithische, neoliberale, witte heteromannen wilden haar zo houden, de rest geloofde er allang niet meer in. Het gaat misschien alleen een beetje woest. Af en toe verschijnt er een nieuwsbericht over gladgeschoren jongemannen met een keurig overhemd en gel in het haar, tieners, twintigers, die conservatiever zijn dan hun grootouders. Ze willen langzaam en terug. Het zijn vooral jongens, veelal lid van FvD, PVV, of SGP en ze zouden met ‘steeds meer’ zijn, koppen de artikelen, maar men interviewt steevast dezelfde, of ze lijken allemaal op elkaar. 

Ze zoeken naar een wereld waar openbare toiletten zijn in slechts twee varianten, mensen ouderwets ‘blank’ en maximaal christelijk, seks weer iets voor na het huwelijk en het huwelijk weer gewoon voor eeuwig. Omdat iedereen is teruggekeerd naar hun eigen land dat ze toch bleken te hebben, is het er overzichtelijk en vredig. Niemand is boos, niemand is een bedreiging en je mag de kansen, het geld en je mannelijkheid houden.

Ze vormen een curieuze tegenbeweging voor de jongeren die progressieve waarden aanhangen. Zij maken zich zorgen over hun gebrek aan perspectief en de erfenissen waarmee ze zijn opgezadeld door de gevestigde orde, die daar vooralsnog onverstoorbaar mee doorgaat. Oneindige groei, consumeren, bonussen uitdelen van bijgedrukt geld- hun richting is het station waar ze al decennia zijn gearriveerd, want never change a winning team. Ze zijn ervan overtuigd niets verkeerd te doen. Ze zijn net zo min racistisch als zwarte piet dat is en ze zijn niet seksistisch alleen maar omdat ze vrouwelijke burgemeesters harder aanpakken dan hun mannelijke equivalenten. Wie denkt dat Melania Trump de enige vrouw is die door haar echtgenoot wordt gepord om op commando te lachen, is nooit naar de nieuwjaarsborrel van een gemiddelde Nederlandse onderneming geweest. Of, zoals Fred Teeven zei in zijn interview met de Volkskrant van 6 juni: “Ik krijg dit jaar een kleinkind, dus ik snap ook wel dat ik mijn afval moet scheiden. Maar daar houdt het wel op. Klimaat is belangrijk, maar het schiet in mijn ogen al gauw door.

Toch werd het ook in het leven van Fred Teeven 2020, het apocalyptische jaar voor de wereld zoals wij die kennen. In januari fikte Australië af, vanaf februari werd Oost-Afrika geteisterd door de in eindtijden onmisbare sprinkhanenplaag. Gelijktijdig ontsproot er een pandemie die er in enkele maanden in slaagde de hele wereld op zijn kop te zetten, de economie om te wentelen, werk, onderwijs en zorg om te vormen, consumptiepatronen te veranderen en de natuur zich te laten herstellen met een indrukwekkende snelheid, vele malen groter dan waarmee ze werd verwoest. 

Terwijl de dreiging van de pandemie nog altijd niet is geweken, zie verder oktober, november, december, volgden in juni wereldwijde demonstraties tegen racisme, na de moord op George Floyd. Ditmaal protesteerden ook witte Nederlanders massaal tegen institutioneel racisme en namen zij er verantwoordelijkheid voor. Anderhalve eeuw na de afschaffing van de slavernij in 1863 – feitelijk in 1873, dankzij de button van burgemeester Halsema van Amsterdam nu algemeen bekend – is de tijd gekomen dat racisme niet meer getolereerd wordt. In de VS word je er president mee, maar niet zonder een ijzeren gordijn rond je huis te moeten optrekken en met regelmaat de bunker in te moeten vluchten voor een zogenaamde inspectie. 

Het is nu halverwege juni. Het tempo waarin de wereldorde verschuift ligt te hoog voor het menselijk brein, maar we zijn nu eenmaal niet bij machte om te kiezen. Vraag het die paar Noren die zo leuk aan de kust woonden, een aardverschuiving gaat sneller dan je denkt. Er klinkt een grote knal en voor je kunt plaatsen wat het zou kunnen zijn, tuimelt je houten huis kopje onder in de zee.

In dit tempo is het voor Nederland misschien dit najaar al zover en zal oktober ons de lang gevreesde dijkdoorbraken en overstromingen brengen. We krijgen ons natje en ons droogje. Meteorologen verwachten voor Nederland een zomer met temperaturen van 30 tot 40 graden. De naaldbomen stierven dit jaar al in de lente door de cumulatieve droogte van de afgelopen jaren. Die alles verzengende hitte is een geluk bij een ongeluk; je moet mensen wel op 1,5 meter afstand houden, anders versmelt je met ze. In een bunker is het altijd koel. Het is maar een suggestie.

Wakker

Op 5 mei wandelde ik door Amsterdam, hoofdstad in tijdelijke ruste. Ten opzichte van Koningsdag leek de stad levendiger. Als een prelude op wat komen gaat vanaf 1 juni zaten er mensen op de bankjes rond het café waar ze hun consumpties konden afhalen, wat ergerlijk genoeg op bordjes stond gekrijt als ‘takeaway’. Dat deden ze naar drie meter verderop, waar ze dicht op elkaar neerstreken in de zon en waar het begon te lijken op voorheen.

Maar schijn bedriegt; wie erlangs loopt en het aanziet, voelt de dreiging van ziekte en dood in de lucht hangen. Zoals weinigen er tegenwoordig nog in slagen naar een film te kijken en níet geagiteerd te raken omdat de acteurs geen afstand houden. Gek hoe vlug het nieuwe normaal de bestaande beelden overschrijft. We hebben vaccin noch behandeling, noch adequate bescherming om ons veilig te weten. In de fase van de exit uit de soort-van-lockdown zal er een continue dreiging, op zijn minst alertheid gaan spelen bij een groot deel van de bevolking, terwijl het andere deel weigert afstand te houden omdat ze de ernst van het virus ontkennen of er geen zin meer in hebben, een struisvogelende exitstrategie. In samenlevingen is er altijd een deel van de mensen wakker – woke heet dat tegenwoordig, maar ik zeg ook niet takeaway, dus wakker – en een ander deel kiest ervoor om weg te kijken, de ogen te sluiten voor de realiteit.

De 75e Dodenherdenking op de Dam was de meest waardige die ik ooit heb gezien. De toespraak van Arnon Grunberg was van grote waarheid. Ieder woord was raak en sommige nog pijnlijker raak dan andere, zoals: “Als ze het over Marokkanen hebben, dan hebben ze het over mij.” Een zin die al het racisme in de sociale media wist los te maken en daarmee nog meer zeggingskracht kreeg. In zijn toespraak liet hij ons met de vinger naar onszelf wijzen en naar het nu, naar de dagelijkse verantwoordelijkheid om niemand uit te sluiten, niet te oordelen over individuen omdat ze toevallig tot een bepaalde groep behoren, en nooit te vergeten dat het kwaad schuilt in eenieder, te beginnen in jezelf.

De koning bracht de waarschuwing van Grunberg ogenschijnlijk direct in de praktijk door aan te geven dat mensen destijds werden afgevoerd ten overstaan van een zwijgende menigte, dat er ook nu wordt gediscrimineerd en dat we niet normaal moeten maken wat niet normaal is. De eerstvolgende keren dat ik door het Vondelpark fiets, zal ik denken aan de bordjes waarop ‘Voor Joden verboden’ stond en aan Sobibor.

Willem-Alexander spaarde zichzelf en zijn familie niet door kritisch te zijn op zijn overgrootmoeder en haar daden in oorlogstijd. Hij toonde zijn worsteling met zíjn generationele last en maakte zich door in het openbaar te worstelen tot één van ons. In mij riep het de herinnering op aan zijn vader, Prins Claus, die op geweldige wijze is omgesprongen met de gevoeligheid van zijn Duitse afkomst; door bruggen te slaan.

Passend bij de jubilerende herdenking was ook de unieke leegte op het plein. Het belangrijkste in de muziek is de stilte tussen de noten. Het was een vreeswekkende leegte die voelbaar maakte wat er werd herdacht. Datgene dat wij allen het meeste zouden moeten vrezen: oorlog, een vijand die vrijheid, democratie, rechtsstaat en alles van waarde aanvalt of doodt. Geen vergelijk met de huidige pandemie, een virus dat zich kenmerkt door ongrijpbaarheid en een razendsnelle verspreiding, maar dat zich niet bezighoudt met alles van waarde. Een leep virus, maar verder dom.

De wind gierde door de touwen van de vlaggenstokken alsof er zes mensen stonden op een winderige Waalsdorpervlakte. Alleen het bellen van de tram en het om zich heen kijken van de burgemeester, alsof zij de vrouw des huizes was en keek of de glazen van de visite nog wel goed gevuld waren en de boel een beetje netjes, verraadden dat dit Amsterdam was. De stilte vond ik minder indrukwekkend dan wanneer die wordt betracht door 20.000 mensen tegelijk. Het kan ook zijn dat een krijsende meeuw daar debet aan was. Er zwemmen weliswaar nog geen dolfijnen door de grachten, maar misschien zijn de meeuwen bij wijze van positieve kanaries in de kolenmijn een voorteken van een verhoogde visstand, en moet ik het krijsen opvatten als een teken van hoop in plaats van als iets ijzingwekkends.

De takeaway message van de Dodenherdenking op de Dam in 2020 was duidelijk. Klaar om te worden meegenomen naar huis en te consumeren. Wat een herdenking. Zelfs het tussendoor ontsmetten van het spreekgestoelte was mooi.

Een ode aan buurman Ben, die maar half bestond

(Gepubliceerd in het Parool d.d. 8-2-2020)

Hij zou er net als zijn ouders alleen horizontaal uitgaan, uit het huis aan de smalle gracht waar hij in 1954 was geboren. Je vertelde vroeger aan niemand dat je uit de Jordaan kwam. Het was een achterbuurt om je voor te schamen, je stond meteen met tien nul achter. Hij grinnikte: “Zou je nou niet zeggen hè, met al die flitsende yuppen.” Om de dag klopte hij bij de openslaande raampjes aan de voorkant keurig zijn deken uit boven mijn openstaande ramen. Zijn DNA is ongetwijfeld nog in mijn appartement te vinden.

Twee weken geleden wist ik nog niet dat Ben, al vele jaren mijn buurman van twee hoog, nauwelijks met iemand sprak. Eigenlijk alleen met bovenbuurman Frank en mij, veelal in het portiek voor onze voordeuren. Steevast te lang, maar dat kwam ook doordat hij nooit ergens heen ging en ik altijd overal.  

Soms ging ik niet naar buiten als ik hoorde dat hij kwam, want dan wist ik dat ik me zeker een half uur niet los kon maken. Als ik met hem sprak, liet ik hem leeglopen als een ballon die te strak op spanning had gestaan en me door alle hoeken van zijn wereld boksen.

Er zullen dagen zijn geweest dat hij moet zijn vergeten hoe zijn eigen stem klonk. Hij fietste rondjes door de stad om naar lezingen te gaan en soms naar supermarkten ver weg, zodat hij wat aanspraak had. Vanaf het voorjaar werd hij daardoor steeds bruiner. Als hij thuiskwam sprong hij van zijn fiets en klampte me aan met een snottebel onder zijn neus. 

Was ik ermee bekend dat er aliens waren in dit huis die gekke straling afgaven, bijvoorbeeld rond zijn bed? Het had waarschijnlijk met hem te maken, want dat soort dingen gebeurden zijn hele leven al, maar hij sloot niet uit dat ik er ook mee te maken had. Ze hadden hem geopereerd met wit licht en lasers. Ze stapten uit een ufo, daar. Hij wees naar de platte daken en de tegen elkaar aanleunende balkons aan de achterkant. 

“Ik weet dat ik niet oud word,” zei hij plotseling vorig jaar in het portiek. Ik vroeg hem of hij ziek was. “Ik weet het gewoon.” Hij boog zijn lange lichaam een beetje naar me toe en zei: “Jij weet niet wat het is als niemand je zal missen.” Ik zei dat ik het erg vond en dat het niet helemaal klopte, dat ik hem wél zou missen. Hij trok zijn schouders op.

Twee weken geleden hing er een vage krabbel op zijn voordeur. Misschien was het een doodsaankondiging van de stadsomroeper of van een alien, als een kruis dat op een boom wordt gespoten. Frank wist de boodschap te ontcijferen. Er stond dat hij al dagen erg ziek was. Of iemand hem naar de huisarts kon brengen.

Frank duwde hem direct in zijn auto, stinkend, bloedend, ziek als een hond. Kromgebogen van de pijn zat hij op de vloer van het OLVG West. Daar kreeg hij eten en was er bij voortduring aanspraak. Dat was ongekend en van harte welkom. Terwijl zijn gewassen onderbroeken bij ons over de verwarming hingen, ook een bepalend moment in een relatie, leek hij op te kalefateren. Naar huis hoefde hij niet meer. Dat kon ook niet, want hij had alvleesklierkanker die hem een week na die diagnose al zou vellen.

Er was geen familie, geen vriend, er was niemand. Zo kwam het dat zijn buren voor hem zorgden, overlegden met het ziekenhuis en met hem spraken over de komende diagnose en de dood. Langzaam ontrafelde zich het mysterie van een man die half bestond. Hij had geen telefoon en geen dossier bij de huisarts. Die kende hem weliswaar uit de buurt, maar had hem tot voor kort nog nooit gezien als patiënt.

Enkele mensen van de lezingen lieten mij via sociale media weten dat hij altijd aardig en geïnteresseerd was. De rest van de buren had geen behoefte hem te bezoeken en sommigen hadden een hekel aan hem, om voor mij onduidelijke redenen. 

Hij at voornamelijk macaroni en brood, vertelde hij. Alles wat je innam was potentieel slecht voor je. Van vervuild drinkwater bij het hockeyveld in IJburg had hij misschien wel die inwendige bloedingen opgelopen, of door de vrouw die door haar haren streek en toen door de vleeswaren bij de Albert Heijn. Moest ik niet naar toe, naar de betreffende supermarkt.

Hij bleek ondanks zijn leven in de bijstand geld te hebben gespaard dat hij heeft nagelaten aan de Dierenambulance. Hij bleek iemand te zijn die nadenkt over nalaten en die houdt van dieren. Zijn begrafenis had hij keurig geregeld, zodat we nadere acties om die te financieren konden staken. 

Zijn moeder, die volgens een buurvrouw altijd gillend en kijvend over de gracht liep, stierf vroeg, jaren later dan zijn vader. Ben vertelde dat zij zich had opgehangen. Hij was alleen, dat wist hij wellicht al toen hij heel klein was, las ik in zijn blik in het fotoalbum dat hij weggaf. Ik zag een foto van zijn moeder met ongecoiffeerde haren, twee katten tegen haar grote borsten geklemd, in een te korte jurk wijdbeens de onderbroek tonend aan de camera. 

Zoals hij leefde, stierf hij. Als een boer, kalm, aards, aanvaardend. Maar wat voor een boer de aarde is, was voor Ben de hemel. We gaan van sterrenstof naar sterrenstof. We zijn allemaal tijdreizigers, ruimtetrotters, astrale toeristen die zich verschuilen in Jordanese achterkamers. Het enige verzoek dat hij deed was hem te begraven, want anders kon hij niet meer opstaan. Logisch.

In zijn woning stonden een tafel, een stoel, een bed, een radio en in de keuken een pannetje met macaroni. Dat was het. De buren, iemand van de lezingen en twee mensen van de Dierenambulance hebben hem naar het graf gebracht. Hij leefde alleen, maar stierf gedragen.

Een klein stukje achteruit

Je herkent de witste mensen deze dagen doordat zij hermetisch zwart zijn gepoetst. Het zijn verwarrende tijden. Boze, nepzwarte mannen met krullenpruiken en een motorhelm of een rare bril, soms een sjaal voor hun mond, ze lijken nog het meest op doodenge roofovervallers die zich opwerpen als kindervrienden. Want, dat is het mooie, ze doen het allemaal voor onze kinderen! Een hele geruststelling. 

Gelukkig stonden die geruststellende woorden ook te lezen op een affiche waarvan er tientallen werden verspreid in Leeuwarden. Er stond een Sinterklaas op afgebeeld met een hakenkruis in zijn mijter en de tekst: “Onze Piet blijft zwart, onze gemeenschap wit- wij doen het voor onze kinderen. De Blokkeerpieten.” Op Twitter haakten pro-Zwarte Piet-mensen hierop in door te zeggen dat het affiche overduidelijk was gemaakt door KOZP. Zei ik al dat het verwarrende tijden zijn?

Langs de route van Sinterklaas in Den Haag werden in de nacht van vrijdag op zaterdag door onbekenden honderden posters opgehangen, waarop stond: “Den Haag houdt van Zwarte Piet, niet van zeurpieten.” De foto van Jerry Afriyie was op een gezicht van een Zwarte Piet gephotoshopt. De organisatie van de intocht huurde een schoonmaakbedrijf in om de posters van onder andere winkelramen en de pakjesboot te verwijderen. Dat kostte ze wel veel tijd en hijgend en puffend zeiden ze: “De actie is misschien goed bedoeld, maar ondernemers moeten nu starten met het schoonmaken van ramen voordat ze open kunnen.” Misschien goed bedoeld? Het stond er echt. Verwarrend allemaal.

Daarna moest er nog gevoetbald worden. In Den Bosch, waar supporters zich tijdens de intocht nogal pro-Zwarte Piet hadden getoond. Iets met rookbommen en, daar waren ze weer, motoren. Tijdens de wedstrijd FC Den Bosch tegen Excelsior viel Mendes Moreira, speler van Excelsior, ten prooi aan racistische spreekkoren en uitingen. Dat liep zo uit de hand dat de scheidsrechter de wedstrijd staakte. Eindelijk werd er een grens getrokken. Alleen jammer dat ze daarna weer op het veld kwamen en de wedstrijd uitspeelden. Nog spijtiger was de ramp van een persverklaring die FC Den Bosch na afloop van de wedstrijd afgaf: “Op een dag als vandaag ligt alles wat ook maar de schijn heeft van racisme en/ of discriminatie extra gevoelig.”

En dat was nog maar de eerste zin. Het kwam erop neer dat het helemaal niemand speet, dat Mendes Moreira maar wat zat te zeiken, dat hij, gevoelig als hij is, de gezellige Bossche ‘kraaiengeluiden’ versleet voor oerwoudgeluiden, dat ‘kankerneger’ eigenlijk ‘fijne gozer’ betekent en dat ‘katoenplukker’ een oud-Bossche wijze is om iemand ‘kampioen’ te noemen.

Nergens stond te lezen: we vragen na wat er is gebeurd, we kijken alles nog eens terug op onze racisme-VAR, mogelijk nemen we maatregelen. Welnee, het is allemaal zijn eigen dikke schuld. De trainer van FC Den Bosch noemde Mendes Moreira zelfs een ‘zielig mannetje.’ Deze Erik van der Ven bleek daarmee zelf nogal een zielig mannetje, ook door zich tot twee keer toe te verschuilen achter het statement van zijn club, waar hij natuurlijk volledig achterstond. 

Het enige goede aan de opengereten nationale onderbuik waardoor al het racisme nu rijkelijk naar buiten druipt, is dat het zo opzichtig is dat het niet meer zal gebeuren dat kinderen niet weten wat er tijdens de Tweede Wereldoorlog is gebeurd. Je kunt het gewoon aanwijzen op de beelden. Kijk, daar in het stadion van FC Den Bosch brengt een man een hitlergroet tegen de zwarte voetballer. Daarmee zegt hij: Jullie zijn minder dan wij en jullie moeten weg naar je eigen land, of welk ander land ook, want we vergeten graag dat je geboren werd in Schiedam. Dat is namelijk allemaal veel te verwarrend.

Dwars door dit alles heen kliefde het Sinterklaasjournaal. Daar waren ze door de afgelopen zware jaren lekker op stoom gekomen en schaften met gemak twee tradities af; dag stoomboot, dag Amerigo. Geruisloos gingen ze met pensioen om te tonen dat tradities in beweging zijn. Je evalueert, je groeit, je neemt afscheid en je omarmt het nieuwe. Toen het even tegenzat met de stoomtrein, zei Sinterklaas zelf: “Soms moet je gewoon een klein stukje achteruit in het leven, om vervolgens weer vooruit te komen.”

Voor de traditie van Zwarte Piet kan ik dit geloven. Hoe meer de pro-beweging wordt gedreven door extreem-rechtsen en voetbalhooligans, hoe sneller Zwarte Piet zal zijn verdwenen. Als het over het onderliggende racisme gaat, help ik het Sinterklaas hopen. Ik zet het voor alle zekerheid op mijn verlanglijstje.

Jenny

Het zou niet goed zijn om snobistisch te doen over Nespresso-koffie. Ik woon ongeveer in de grachtengordel en daarmee is mijn snobistisch krediet al meteen verspeeld. Bovendien is het zielig een merk aan te vallen; drink het dan gewoon niet. Dat mag allemaal waar zijn, maar de koffie die George Clooney zo makkelijk lijkt weg te happen, is onbetamelijk smerig. Althans, de koffie die uit het apparaat kwam dat ik leende, nadat ik in-between-espressomachines raakte. De man kan echt acteren, dacht ik nog.

Terwijl mijn leven omhoog kroop naar het burgerleven van voorbij en over van een veertiger met een hypotheek en schoolgaande kinderen, maakte mijn koffieconsumptie een terugval naar de middelbare schoolperiode. Je gooide een kwartje en een dubbeltje in een automaat, er viel een bruin plastic bekertje uit een gat tussen twee armpjes en daarna werd de beker gevuld met iets waterigs, iets tegen zwart aan, met een zeer specifieke geur die het lekkerste rook uit de mond van de leraar Latijn, om negen uur ’s ochtends. 

“Handig wippen ze hun pistons als cowboys uit het apparaat, kloppen ze uit boven een afvalbakje, slaan met melkkannetjes op counters en maken dan blaadjes, hartjes of non-descripte Rorschachvlekken in je cappuccino met havermelk.”

Na alle soorten cupjes te hebben geprobeerd en weggegooid, kon ik zelfs het gebrom van het persen niet meer horen. Zuchtig heb ik alle koffietentjes in een straal van vijfhonderd meter uitgeprobeerd. Dat zijn er tegenwoordig nogal wat in Amsterdam, de ene barista tuimelt over de andere heen. Handig wippen ze hun pistons als cowboys uit het apparaat, kloppen ze uit boven een afvalbakje, slaan met melkkannetjes op counters en maken dan blaadjes, hartjes of non-descripte Rorschachvlekken in je cappuccino met havermelk. Havermelk, want het moet wel snobistisch blijven. Ik probeerde de tekeningen te duiden zoals men vroeger in de Jordaan koffiedik keek. Er zou bloei komen in mijn huidige project, ik ging duidelijk op reis en over die ene verschrompelde penis was ik nog niet uit.

Toen ik de vijfjarige zoon met enige teleurstelling vroeg of hij toch weer aan het nagelbijten geslagen was, antwoordde hij me: “Maar mama, nagelbijten is voor mij net zoals koffie voor jou. Ik kan gewoon niet zonder.” Daar had ik niet van terug en dus ging ik op Marktplaats op zoek naar een tweedehands espressomachine. 

Na lang zoeken vind ik Jenny, die op drie kilometer van mij moet wonen. Als ik een tweede bod doe, antwoordt Jenny: “Ik ging al akkoord met het vorige bod, hoor, dat lijkt me goed zo.” Haar naam boezemde me al vertrouwen in. Dit is vast een zestiger die eerder bij mij om de hoek heeft gewoond en nu met haar man, die niet goed is met internet, in Osdorp is neergestreken. 

“In mijn studententijd heb ik daar met veel plezier gewoond, maar in het donker woon je toch liever ergens anders”

De afspraak om hem op te halen verloopt al even vloeiend en voor ik het weet (ik had er nogal haast mee, mijn handen waren inmiddels aan het trillen door de ontwenningsverschijnselen), parkeer ik om de hoek bij Jenny, in een doodlopende straat. Het is donker en terwijl ik de weg kwijt ben, lopen er twee jongens achter me aan die: “welkom terug in Osdorp” lijken te sissen. In mijn studententijd heb ik daar met veel plezier gewoond, maar in het donker woon je toch liever ergens anders.

Blij dat ik haar gebouw heb gevonden, bel ik aan. Ze zegt “Joe!” en drukt de deur open. Ik krijg opeens heel veel zin in koffie met Jenny. Bovengekomen bereik ik een galerij. Ik loop zo dicht mogelijk langs de rij voordeuren, want het is net te hoog om niet bang te zijn en het uitzicht biedt minder troost dan de koffie. Ik druk op de bel en Jenny zwaait de deur open. Ze blijkt net zo oud of jong als ik, verwelkomt me alsof ik een vriendin ben en eist dat ik met mijn natte zolen in de gang ga staan. Daar heeft zij het apparaat al neergezet, op een gezellig kleedje, tussen jassen en foto’s van haar knappe dochter en even knappe man. “Ik zal hem meteen effe aanzetten, want het kost wel geld en dan wil je natuurlijk eerst proeven.” Ze zet de schakelaar aan en pakt een klaargezette papieren beker. Zo is Jenny, ze heeft aan alles gedacht.

“Ik bewonder Jenny. Ze lijkt het leven zoveel beter in de hand te hebben dan ik.”

In het display van het wat verouderde apparaat licht in rode letters op: “WAT MOET JE?” 

“Je moet maar niet op die teksten letten, die heeft mijn ex er ooit ingezet. Ik weet niet hoe je dat eruit krijgt. Dus jij woont in de Jordaan? Gezellig. Ja, ik woon nu hier”, zegt ze, terwijl ze op de koffieknop drukt. De letters kondigen een “LEKKER BAKSKE” aan. Ik begin steeds beter te begrijpen waarom Jenny en hij niet meer bij elkaar zijn. Als ik de dosis koffie binnen heb, leegt ze de reservoirs in de kattenbak op de galerij. “Anders heb je die prut in je auto.” Ik bewonder Jenny. Ze lijkt het leven zoveel beter in de hand te hebben dan ik.

Ze vraagt of ik zeker weet dat ik het zo kan tillen. Ik poch van wel. Licht door mijn rug zakkend probeer ik Jenny liefdevol te groeten als ik de galerij op stap, wat er per ongeluk uitkomt als: “Later, Jenny.” Ik weet niet wat ze in me losmaakt, maar het komt van een goede plek.

Onbeantwoorde vragen

“Oud-minister Ella Vogelaar (69) onverwachts overleden”, kopte de NOS dinsdagavond. Het eerste wat ik ‘hoopte’ was een hartaanval of iets anders acuuts fysieks, want zelfdoding is onder de doodsoorzaken de slechtst verteerbare. Het betekent op zijn minst dat de overledene diep ongelukkig is gestorven en dat de dood misschien afwendbaar was geweest. Een schokgolf ging door het land. Wellicht kent iedereen wel iemand die door zelfdoding stierf, want het gebeurt maar liefst vijf keer per dag in Nederland. 

Door welk denken word je beheerst onderweg naar die daad en wat zouden je laatste gedachten zijn? Hoe lang heb je het overwogen en hoe doorwrocht was die overweging? Groeide zij gaandeweg uit tot een wens? Werd het een stille wens, een razend intern verlangen, een wanhopig gedreun in je hoofd, of heb je het gedeeld met iemand anders? Wat heeft die ander toen gedacht of gedaan? In een ander, vaak voorkomend scenario was het een impuls. Een vlaag van verstandsverbijstering, soms van willen vliegen, van gekte. Maar er is altijd sprake van waangedachtes bij zelfdoding, zoals dat je denkt dat je anderen alleen maar tot last bent, of hoopt dat de pijn eindelijk stopt als jij stopt.

We weten van overlevenden van suïcidepogingen dat spijt relatief vaak voorkomt. Dat is al even onverdraaglijk, de eenzaamheid van dat je tijdens de poging toch door wilt leven, maar niet meer terug kunt. En dat niemand dat ooit zal weten, want spelen met zelfdoding is spelen met het definitieve. Dat lijkt er juist zo aanlokkelijk aan. 

Mensen die zichzelf van het leven beroven, sterven niet aan een angststoornis of aan een depressie; ze sterven om te ontsnappen aan de schaamte, de wanhoop en de eenzaamheid die ze door hun problemen zijn gaan ervaren. 

Daarom helpt praten. Het helpt om te ontsnappen uit de dwingende maalstroom aan negatieve gedachten, om alternatieven te vinden. Het helpt om begrip voor jezelf te krijgen, het enige tegengif tegen de schaamte die alles kapot wil maken. Het helpt om de eenzaamheid op te heffen.

Bij zelfdoding regeert de eenzaamheid. De dood is in zichzelf een nogal eenzaam fenomeen, maar zelden komt dit zo sterk tot uitdrukking als bij een suïcide. We blijven achter met talloze vragen en open eindes. We willen het begrijpen, rust voor die ander en onszelf, een antwoord op het waarom. Richting voor onze schuldgevoelens, boosheid, troost voor ons onstelpbare verdriet. Maar we zullen het nooit helemaal kunnen weten. Zo worden we, naast door de dood, nog een keer van elkaar gescheiden. Het enige instrument dat weerstand biedt, is de vragen te laten zweven en ons te hechten aan het leven van die ander, aan de liefde die ons, desnoods in de vorm van pijnlijk gemis, blijft binden. 

Wake up, Sylvie

Ze loopt catwalkend richting de spiegel en claimt net te zijn ontwaakt. Een aperte leugen, want ze ziet er niet alleen fantastisch, maar ook tot in de puntjes gestyled uit. Omdat Sylvie zelf ook wel weet dat wij weten dat het een leugen is, klapt ze bij die zin geforceerd in haar handen. Het is waarschijnlijk de achtste take en ze moet het steeds meer acteren, dat is te merken.

En dan gebeurt het. Ze praat opeens in de derde persoon tegen zichzelf, terwijl ze zich met één hand op elke wang wakker slaat. “Wake up, Sylvie, wake up!”, kletst ze synchroon met de ritmiek van de syllabes tegen haar wangen, gevolgd door een gespannen lachend: “Yeah, uhm..”, dat haar weer verbroedert met ons, inmiddels van ongemak in elkaar gekrompen kijkers. 

Dit filmpje hield de sociale media vrolijk bezig. De ene grap buitelde over het andere meme-filmpje. Aan de andere kant stonden mensen die vonden dat je Sylvie moest respecteren om haar glansrijke carrière en dito uiterlijk. 

Persoonlijk zou ik willen zeggen: Wake up, Sylvie. Als je echt een goede influencer wilt zijn, laat dan zien dat er meer te nuttigen valt dan twee gedroogde abrikozen en een glas selderijsap. Laat zien dat ook jij wallen hebt en lelijke karaktertrekken.

Zo kan succes toch niet zijn, Sylvie? Laten we wijn drinken en patat eten. Laten we dansen tot de zon opkomt en een filmpje in elkaar flansen met je haar door de war, je woorden verhaspeld, je lach spontaan en net iets te hard. Wake up to life, Sylvie. Sla jezelf niet meer.